Wil en Kees gaan op pad

Zitten we ’s ochtends vroeg rustig aan de koffie. Kees, zei Wil, lekker weertje, zei ze.
Ho. Hojo. Waar is de stormvlag. Dat zegt ze niet zomaar. Daar komt altoos allerlei inspannends van. Dus ik brom wat, maar ze ging door.
We moesten er maar weer eens een keertje op uit, zei ze.
Daar ging me rust. Weer in den buiten gaan zitten picknicken. Misschien wel op de fiets. Nou, dat had ik goed gezien. Allebei. Luister maar.
Wil weer. Ik had zo gedacht, zei ze, als we nou es even bij Jo langs gingen.
Jo is d’r zus. Een riskant mens.
Ik begon weer te brommen, maar schrok me toen het lepla ….. Jo? Jo? Maar die zit nou toch op een camping?
Zus Jo is een fanatiek tentbewoner. Een caravannetje kan er niet af, dus dan maar al dat linnen flappend boven je hoofd.

Maar ik kan spartelen wat ik wil, Wil krijgt d’r zin.
Tien minuten later stond ze weer beneden, met twee weekendtassen. Twee, zei ik.
Is één niet genoeg? Nee, zei Wil, ik heb je korte broek en bloemenhemd ook meegenomen.
Korte broek? Toch niet met die flodderpijpen en die inkijk?
Zeik niet, zei Wil. Wat valt er bij jou nou te zien.
Nou, volgens mij heeft Wil dan de laatste tijd niet meer goed naar me gekeken als ik de douchecabine uitkom. Die benen. Wit. Wit! Doet pijn aan je ogen. Model melkfles. Niet om áán te zien. En daar moet ik mee het publiek in?
Stel je niet aan, zei Wil. Alle mannen lopen in zo’n ding. En dat Hawaii-hemd staat je reuze fleurig.

Volgens mij doet Wil dat allemaal met een tweede agenda. Om me onder controle te houden. Nou, dat is dan verspilde moeite. Ik moet niet aan overspel dénken. Ik haal nauwelijks de Vivo-winkel te voet. En welke vrouw zou nou belang in mij stellen? Precies.
Maar ik moest er toch iets uit halen. Goed, zei ik. Prima. Maar ik verdom het om dat hele eind te gaan fietsen. Met mijn aambeien.
Wil knikte. Ja, daar heb je wel een punt. Goed, dan gaan we met de auto. Maar ik rij. Ja, ze zal mij es achter het stuur laten. Pas op, gilt ze dan, als tachtig meter verderop de geit van boer Freriks oversteekt.
Ik blijf volhouden dat mijn maagzweer komt van al dat begeleid autorijden. Maar daar heeft Wil tabletjes voor. Dat wil zeggen, voor d’r eigen. Wordt ze niet zo zenuwachtig van me.

Dan zie je ook, dat Wil wel degelijk kan converseren. Thuis komt dat er niet zo uit. Dat is meer een éénwoords geheimtaal, waar ik doorheen brom.
Maar op de weg lult ze honderduit. Tegen haar medeweggebruikers.
Doorrije, klootzak. Een keurige man, met beheerste snelheid.
En nou haalt die me verdomme nog in ook. Een jonge man, die vindt dat Wil te langzaam rijdt.
Moet je zo’n slet nou zien. Het ging hier om een smakelijk jong kind in een open sportwagen, een lust voor het oog.

De bestemming kwam dreigend dichterbij. Eerst nog verkeerd afgeslagen (je had moeten uitkijken Kees, naar dat bordje van de camping, ik kan niet alles tegelijk), maar toen toch op het zandweggetje naar zus Jo.
En ja hoor. Daar stond zus Jo. In bikini. Stond ‘r goed. Over haar verschijning als zodanig geen kwaad woord. Wat een blom van een mens. Wil gaf me een schop tegen me enkel. Sta d’r niet zo aan te gapen!
Ik zag de dag met vreze tegemoet. Want Jo weet dat ik geen partij voor haar ben. Plagen noemt ze dat. Ik ben meestal duchtig van mijn tramontanen na zo’n leuk dagje uit.
Maar misschien is haar zoon Bertje er ook. Perfect jong. Kunnen we leuk gaan vliegeren.

hendrik