Zorgeloos

Je wandelt vaak langs de bosrand en de oever van de rivier,
Door het verse gras en de zware dauw,
Langs de bossen, te midden van de bergen,
Zorgeloos, onbezwaard, 's ochtends als het licht wordt.
Mijn hart wordt licht bij het zien van dit tafereel,
De velden, het landschap, de bomen, en de horizon.
Genoeglijk mooi is de ligging van de bergen.

Jij bent nog groen en zorgeloos, over de vrolijke velden
Je zingt omdat je thuis bent.
In de zon die maar een keer jong is,
Tijd om te spelen en verguld te zijn.
Met groen en goud bedekt ben jij jager en herder,
De schapen zingen bij jouw hoorn,
De honden op de heuvels blaffen helder en koud.

Nog geef ik niet toe, blind als ik ben,
Ondertussen groeien honderd sterke jongelingen op,
Bekend met rumoer, haat en twist,
Zij vallen sneller aan dan bliksemschichten,
Jouw hoorn zullen ze niet volgen,
Jouw gril zullen ze niet gehoorzamen,
Wees dus voorbereid, ook als ik er niet meer ben.