XVII. Op de terugweg (deel 1)

(vorige keer : De goede Koning is vermoord door een Zwarte Ridder. De zoon van de Koning, Tolecnal, leeft verscholen in een bos. Als hij volwassen is geworden, gaat hij op pad op zoek naar de waarheid rond zijn Vader. Tolecnal gaat met een gezelschap op reis, uitdagingen tegemoet. Hij is inmiddels meer te weten gekomen over de dood op z'n vader. Na een reis door de woestijn, reist hij verder, de zee op. Ze eindigen op een eiland. Tolecnal was al eerste naar binnen gegaan, in een grot. Na een gevecht met een groot beest ontmoet hij Shiva.)

Het gezelschap liep dezelfde route terug, langs de natuurlijke brug, door de grote vochtige ruimte, verder naar het grote gat in de rots.
Tolecnal ging voorop. Hij dacht na over wat Shiva gezegd had. Hij wist nog niet goed wat hij er mee kon. Hij klom als eerste door het grote gat in de rotsen. Hij sprong op het strand, vlak bij het water van het lage zand.
“Je kunt op die steen springen.” instrueerde Tolecnal de anderen. Solatnat volgde zijn aanwijzingen op, daarna de rest.
“Ik wacht hier wel.” zei Tolecnal, terwijl hij aan het nadenken was hoe hij van dit eiland af kon komen. De vissers hadden bij hun aankomst het eiland direct verlaten. Die waren veel te bang voor dit eiland.
Toen iedereen op het strand was aangeland, had hij een ingenieus idee.
“Neem het touw van je rug en ga lussen maken. En dan gaan Solatnat en ik het water in. Als we jullie roepen, gooien jullie het touw naar ons toe, en als we het aangeven dan trekken jullie zo snel en hard mogelijk als je kunt. Voor iedereen duidelijk?” vroeg hij.
Iedereen knikte en ging direct aan de slag. Ze vertrouwden op Tolecnal en Solatnat.
Solatnat kreeg meer over Tolecnals plan te horen. Ze liepen richting zee. Ze sprongen in het water en zwommen wat rond, vlak langs de kust. Het duurde even, totdat een van de twee riep: “We hebben er een. Gooi het touw! Snel!”
De touwen werden hen toegeworpen. Solatnat en Tolecnal verdwenen met het touw onder water. Het duurde te lang. Zou hen wat overkomen zijn?
Ze kwamen tegelijkertijd boven. Gelukkig. “Trekken maar. Met zijn allen, houd vol.” zie Solatnat.
Na flink wat sjorwerk sleepten ze een grote schildpad op het strand. Solatnat en Tolecnal kwamen het strand op gerend.
“Gelukkig hebben we er een. Nu moeten we er nog meer te pakken zien te krijgen. Jullie moeten krabben vangen als voedsel voor de padden. Ik vermoed dat we achtervolgd worden door de elitetroepen van de koning. We moeten nu voorzichtig worden.” zei Tolecnal. Hij vertelde het gezelschap wat ze moesten doen als deze troepen hen zou ontdekken in het water.
Ze waren een tijd bezig om voor iedereen een eigen schildpad te vangen. De lussen werden vastgemaakt aan de schilden van de beesten. Ze hadden ook een aantal hengels gemaakt van takken. Aan iedere hengel werd een krab vastgemaakt. De schildpadden werden in het water gesleept. Het bleek een gigantische klus. De hengels waren vastgemaakt en de schildpadden zwommen de goede kant op, in de richting van de krabben.

(wordt vervolgd)