XVI. De witte wieven (deel 2)

“Kom.”, gaf Tolecnal aan. “Hier langs naar beneden. Daarginds zie je de brug, waar ik je over vertelde.”
Het gezelschap liep voorzichtig door de grot. Af en toe gleed iemand uit over de vochtige stenen.
Solatnat ging naast Tolecnal lopen: “Het is trouwens wel prachtig. Met die verschillende kleuren.”
“Dat is nou precies wat het verraderlijk maakt. Het ziet er mooi uit maar achter iedere schoonheid zit venijn of gevaar.” probeerde Tolecnal duidelijk te maken.
Ze liepen over de natuurlijke brug. Voorzichtig klommen ze naar beneden en zagen wat wit licht achter in een gang. Een soort mist gleed over de grond, zeer zware grondmist. Hun voeten waren door de mist haast niet meer te zien.
“Pas op.” zei Solatnat tegen de anderen. “Veel gevaar is onzichtbaar.”
Het gezelschap liep verder door een lange gang. Fel licht scheen hen tegemoet.
Door de mistflarden kwam een verschijning hun kant op. Tolecnal vermoedde dat dit een van de witte wieven was, of misschien wel het Witte Wief. Meer verschijningen kwamen tevoorschijn, langzaam zwevend. Het waren er vier.
“Komt gij met ons mee.” zei een van de vier.
Het gezelschap liep achter hen aan. Een van de wieven bleef mee zweven achter de groep. De gang werd steeds kouder. Uiteindelijk kwamen ze uit bij een grote open ruimte. Je zag bijna geen hand voor ogen, zo mistig was het hier.
Tolecnal werd helemaal verblind door een gedaante, veel groter dan de andere wieven. Geheel in het wit. Een ijskoude wind kwam op hen af. Solatnat schrok zo erg dat hij onmiddellijk zijn pijl en boog pakte en wilde schieten. Een ijsflits kwam op hem af en door de knal viel hij achterover.
Tolecnal liep naar hem toe en hielp hem overeind:”Niet doen, dat kan je fataal worden.”
“Nee, dat zou ik zeker niet doen, als ik u was.” zei de grote witte gedaante.
“Wie bent u?” vroeg Solatnat.
“De mensen noemen me het Witte Wief. Sommigen noemen we ook wel Shiva, de ijzige vrouw in de mist.” zei ze.
“Ik heb veel over u gehoord, veel goede dingen. U worden veel goede eigenschappen toegedicht.” gaf Tolecnal aan.
“Oh, dat klinkt veel belovend. Wat hebt u dan zoal allemaal over mij gehoord?” vroeg Shiva, wachtend op complimenten. Ze streek met haar ijsblauwe hand door de lange vlechten.

(wordt vervolgd)