XVI. De witte wieven (deel 1)

(vorige keer : De goede Koning is vermoord door een Zwarte Ridder. De zoon van de Koning, Tolecnal, leeft verscholen in een bos. Als hij volwassen is geworden, gaat hij op pad op zoek naar de waarheid rond zijn Vader. Tolecnal gaat met een gezelschap op reis, uitdagingen tegemoet. Hij is inmiddels meer te weten gekomen over de dood op z'n vader. Na een reis door de woestijn, reist hij verder, de zee op. Ze eindigen op een eiland. Tolecnal was al eerste naar binnen gegaan, in een grot.)

De holenleeuw was verslagen maar Tolecnal wist niet of er nog meer verrassingen op hem af zouden komen. Hij stond voorzichtig op, keek voortdurend om zich heen en liep voorzichtig over de brug terug naar zijn vrienden.
Toen hij weer bij de rotsopening was riep hij naar buiten: “Jullie kunnen komen. Maar let op, dat je niet verrast door een of ander holbeest. Ik werd net aangevallen door een grote leeuw.”
Solatnat schrok hiervan: “Heb je hem wel gedood of verdreven?”
“Ja, hij is naar beneden gestort. In de diepte vlak bij een grote natuurlijke brug.” antwoordde Tolecnal.
Tolecnal moest denken wie hij later zou ontmoeten in de grot, een vrouwelijke geest. Het witte wief werd ze genoemd. Ayisha had hem het verhaal verteld over deze geest. Zij zou ongekende droefenis en ongeluk brengen aan iedereen die er mee in contact kwam. De mensen die in de grot der wonderen waren geweest, leefden nog steeds in angst. Een collectieve psychose was ontstaan door de geest die er rond waarde. Zij zou lijken op een vrouw in een witte jurk. Het verhaal ging dat zij was gedumpt voor het altaar en daarna was gestorven van verdriet. Veel mensen geloofden dat wie in aanraking kwam met het witte Wief ook droevig en ongelukkig zouden worden.
Tolecnal had wel meer meegemaakt. Hij was niet zo snel ergens van onder de indruk. Hij zou alles wel zien. Ook al zou hij daarna droevig en ongelukkig worden, maar moest hij dan? Hij moest verder en zien of hij iets kon aanrichten tegen de zwarte macht, die zijn vader had vermoord. Een echte keus had hij niet. Zolang je de witte wieven niet lastig viel, zouden deze je geen haar krenken. Dat had hij ook gehoord. Dan waren ze aardig, vriendelijk en elegant.

(wordt vervolgd)