XIV. De zeereis (deel 2)

De boten kwamen bij de atollen. Ontelbare eilanden, zo ver als je kon kijken. Donkerblauw water er tussenin. Het was indrukwekkend, het leken pilaren die door andere goden uit het water waren geduwd.
“Bijna ieder eiland heeft een speciale naam. Deze hier heet Olifant.” lichtte de visser toe. Je moest goed kijken, dan leek de rots inderdaad een beetje op een olifant.
“Die heet Vechtende Haan, en die Dak.” ging de visser verder.
Toen ze verder voeren, doemde plotseling een groep van twaalf eilanden op, en in het midden een hele grote atol.
“Volgens de overlevering moet er een enorme grot zijn. Het eiland is min of meer hol. Vanaf de zee kun je via die grot op land komen. Andere vissers noemen die de Grot der Wonderen.”
“Hebben ze ook verteld waarom die grot zo genoemd wordt?” vroeg Solatnat. Hij keek scherp naar het eiland.
“Nee, dat weet ik niet. Ik wil het eigenlijk ook niet weten, man.” sprak de visser.
Solatnat ging naar Tolecnal en vroeg: “Heeft Ayisha daar nog wat over verteld, over die grot?”
“Nee, zij heeft daar niets over verteld. Wel over die twaalf hoge rotsen, dat wel. Maar verder niet. Ik vermoed dat ze dat ook niet wist.” antwoordde Tolecnal. Hij had Solatnat verteld over de verhalen van de Zwarte Mantel in de woestijn. Terwijl ze spraken, keken ze naar het eiland, op zoek naar de grot, te zien vanaf de zee.
De visser liet de zeilen zakken, toen hij een groot gat zag in de rotspartij. De vissersboten voeren rustig verder en kwam uiteindelijk bijna tot stilstand.
“Hier moet u zelf verder. Ik ga niet dichterbij.” zei de visser weer enigszins angstig.
Tolecnal, Solatnat en de rest van het gezelschap klommen uit de boten en zwommen naar de grot. Vlak voor het eiland konden ze door het lange zand langs de kust verder lopen, richting grot, de Grot der Wonderen.

(wordt vervolgd)