XIV. De zeereis (deel 1)

(vorige keer : De goede Koning is vermoord door een Zwarte Ridder. De zoon van de Koning, Tolecnal, leeft verscholen in een bos. Als hij volwassen is geworden, gaat hij op pad op zoek naar de waarheid rond zijn Vader. Tolecnal gaat met een gezelschap op reis, uitdagingen tegemoet. Hij is inmiddels meer te weten gekomen over de dood op z'n vader. Na een reis door de woestijn, reist hij verder, de zee op.)

Het gezelschap ging op weg naar de sterke koppen van de zee. Solatnat had een visser kunnen motiveren om met hen mee te gaan. Met dukaten natuurlijk. De visser had zijn zeekaarten meegenomen om niet vast te lopen op het lange zand. Ze voeren al een tijd in de Golf van Tabbit, vlakbij de grens van Acta. Ze voeren op twee lange zeilboten. Tolecnal en Solatnat zaten in de voorste boot, de rest van het gezelschap in de achterste. Gelukkig was de oceaan rustig.
Solatnat vroeg aan hem: “Hoe weet u dat nu zo zeker dat we goed varen?”
De visser pakte een kaart erbij maar hield de koers in de gaten. ”Kijk hier. Ziet u die strook daar. Dat is de Lange Baai en die ligt in het noorden in de Golf van Tabbit, vlakbij de grens van Acta. De baai heeft een kustlijn van tachtig mijl lang en bevat tweeduizend wonderlijke kalkstenen eilanden. Al die cirkels, ziet u, man? Ze rijzen spectaculair op uit de oceaan. Slechts op sommige eilanden leven dieren.”
Tolecnal bemoeide zich ermee: “Dat is me bekend. Volgens mij is het slechts op een enkel eiland, dat er beesten leven.” Hij haalde de verhalen van Ayisha even op.
“Dat weet ik niet zeker, man. Ik ben nog nooit op een eiland daar geweest, veel te gevaarlijk om aan land te gaan.” zei de visser. “Ik wil jullie tot dichtbij brengen maar ik ga zeker niet aan land.”
Hij trok duidelijk een angstig gezicht.
Solatnat vroeg hier naar: “Het lijkt er op dat u bang bent. Waarom bent u zo angstig?”
“U weet zeker niet wat daar te gebeuren staat, man. Duistere krachten. Mij niet gezien om daar te komen. Echt niet. Ik zal jullie daar brengen en afzetten, maar dat is meer dan genoeg.”

(wordt vervolgd)