XIII Tolecnal gaat weer op reis

(vorige keer : De goede Koning is vermoord door een Zwarte Ridder. Dit heeft een geweldige impact op de samenleving. De broer van de koning Toon d'n Dwerg, een Kabouter, weet op tijd de zoon van Koning te redden en leeft met hem verscholen in een bos. De zoon Tolecnal is volwassen geworden en gaat op pad op zoek naar de waarheid rond zijn Vader. Tolecnal heeft inmiddels een klein gezelschap om zich heen verzameld. De eerste uitdagingen heeft hij goed overwonnen. Hij is inmiddels meer te weten gekomen over de dood op z'n vader. Hij heeft een reis gemaakt naar de woestijn en verblijft daar, en leert een jonge vrouw kennen Ayisha.)

Tolecnal was veertig dagen bij het woestijnvolk gebleven om rust in zijn hoofd te krijgen en na te gaan wat hij nu verder moest gaan doen. Hij sprak heel veel met de mensen uit de woestijn. Vooral met Ayisha deelde hij vele ervaringen. Een daarvan was zeer opmerkelijk.
Ayisha vertelde hem van de eilanden in zee, die de sterke koppen van de zee werden genoemd. Deze eilanden werden niet of nauwelijks bezocht door zeelui, omdat er lage zeebanken en riffen waren, het lange zand genaamd. Deze atollen werden door schepen vooral gemeden. De rotsen stonden scherp in de zee, waarop schepen kapot konden slaan en zinken.Vissers van vroeger hielden kaarten bij waarop routes stonden om langs deze duizenden atollen te varen. Proberen te landen op deze rotsen werd altijd als heel gevaarlijk gezien. Op de meeste plekken waar het water dermate ondiep was, werd navigatie altijd als uitermate lastig gezien. Volgens Ayisha moest hij aan land gaan op een van deze eilanden.
“Op welk atol moet ik dan aanleggen?” vroeg Tolecnal
“Het is op een van de atollen bij een eilandgroep van twaalf stuks. Midden op dat eiland is een zoetwatermeer. Het schijnt er prachtig te zijn. Bomen, planten, struiken, veel fruitsoorten, veel soorten groente. Het is daar lui en makkelijk leven, anders dan hier in de woestijn. Honderden dieren drinken ook uit dat meer. Ik kan je er nog wel meer over vertellen.” vertelde Ayisha. Ze had ook maar van deze zaken horen vertellen.
“Hoe weet jij dat allemaal?” vroeg Tolecnal. Hij streek door haar haren. “Zo afgelegen in de woestijn kun je dat toch niet te weten komen?!”
“Er is hier regelmatig een figuur met een zwarte mantel geweest, en die kon zo boeiend vertellen over allerlei reisverhalen en avonturen. Die heeft dit verteld.” ging ze verder.
“Je zegt ‘geweest’. Wanneer is deze figuur hier voor het laatst geweest?” vroeg Tolecnal. Hij was onmiddellijk alert toen zij dit vertelde, over de zwarte mantel figuur.
“Dat wezen kwam altijd bij volle maan hier een paar dagen aan en was dan weer verdwenen. Sinds de laatste maansverduistering is die zwarte mantel hier niet meer geweest. Eigenlijk wel opmerkelijk, nu je het zo zegt” realiseerde Ayisha zich.
“Heb je nog gezien wie het was? Wat zat er in of achter de mantel?” vroeg Tolecnal geinteresseerd.
“Nee, dat heb ik niet kunnen zien. Die figuur stond ook niet toe dat we te dichtbij kwamen. Als hij ging vertellen, dan ging hij altijd op een heuvel zitten met de volle maan precies achter zijn hoofd. Het kreeg daardoor een soort aura. Het maakte altijd enorme indruk op mij. Niemand durfde dichtbij te komen. Een persoon van ons heeft dat wel een keer gedaan maar het wezen leek kwaad te worden en spuugde met vuur. Daarna heeft niemand het meer geprobeerd.” legde Ayisha uit.
Tolecnal kreeg door dat hij deze figuur misschien kende van eerder. Hij wilde haar dat niet laten weten.

(Wordt vervolgd)