Waterpas beeld van een vader

Daar zweefde ik zonder lichaam
En naast mij waren grijze personen
Zij hadden geen gezicht en geen stem
Alleen maar grove handen
Het was alsof ze mij maar droegen
Om van mij af te zijn

Terwijl ik terugblikte over het land
Waar wij ooit wandelden in het dreigend
Vuil van de nacht. Om de sterren op te merken
En onze handen elkaars vingers
Kwijtraakten in het gras

Vroeg ik me af wie je was
Een plaats of een steen, die nooit genas
Meer of minder dan het waterpas
Beeld dat ik van een vader had
En zo viel ik in slaap en droomde