Vondeling

Ik werd wakker door getrippel en gekrabbel boven mijn hoofd. Dat zou Timmetje wel zijn, zoals aangekondigd door mijn huisbazin. Vermoedelijk een eekhoorntje. Ratten gaan niet zo hoog. Ik sloeg het roodbonten gordijntje opzij aan de voorkant. Op de velden hing de ochtendmist laag over de grond. Het hoofd van het paardje en de horens van de geit staken er boven uit
Ik schoot een broek en trui aan en ging naar buiten. Het paard kwam naar me toen en onderzocht me snuivend met zachte lippen. De geit draaide zich hooghartig af. Van de boerderij was alleen het dak zichtbaar. Verderop kwamen er wat heuveltoppen boven de nevel uit.

Achter me hoorde ik zacht geloei. Ik liep om het huisje heen naar de andere kant. Daar lag een boerderij in een weiland waar wat koeien rond liepen. Ze kwamen snuivend en kwijlend bij me staan. Ik krabde er een tussen de horens. Vloeibare ogen dankten.
Uit een lage deur kwam een struise boerenvrouw. Een cliché wellicht maar het was niet anders. Ze keek me onderzoekend aan zonder iets te zeggen en riep dan over haar schouder naar binnen: ‘Tinus. Weer een vondeling.’
Ze richtte zich weer tot mij. ‘Bent u van het kosmische leed of gaat het om klein grief?’
‘Gerief, mevrouw? Spaar me.’
Ze schudde het hoofd. ‘Nee, ik bedoel grief. Engels. Verdriet. Ook wel Gerda’s grief geheten.’
Gerda. Mijn gastvrouw. ‘Oh. Nee, het gaat meer om plaatselijk niveau.’
‘Mooi. Koffie?’
‘Graag.’
Ze liep het huis in en kwam met een beker koffie terug. ‘Alsjeblieft. We zijn niet zo van kom maar binnen. Eerst de kat.’
‘Kat?’
‘Uit de boom kijken.’
Een verwarrend mens. Ze draaide zich om. ‘Tinus! Laat maar.’
Tegen mij: ’Nou kerel, tot ziens dan maar weer. Hou je haaks.’
Terwijl ik weg liep, riep ze me nog achterna: ‘En wees voorzichtig met Polly. Ze is erg teer en kwetsbaar.’

Ik liep terug naar mijn stulp. Polly?