VIII. De mars (deel 4)

Ayisha voelde de liefde in de lucht. Haar huid kreeg kippenvel. Ze wist niet goed waar ze moest kijken.
Een vreemdeling recht in het gezicht aankijken was niet toegestaan, bijna een belediging. Ayisha kon zich niet afwenden van Tolecnal. Ze kroop achter iemand anders, zodat het minder zou opvallen dat ze behoefte had om te kijken.
Jasim wees met zijn wijsvinger naar boven, richting sterren en maan. “We weten nog niet zoveel van onze sterren en zonnen. Iedereen weet dat de gele maan onze nacht verlicht als een groo vuur. De rode planeet wordt met zijn grillige baan door het uitspansel gezien als onheilbrengend. Sommige woestijnvolken zeggen zelfs dat deze planeet de god van de oorlog is, anderen noemen hem de god van de onderwereld. Maar is de zon het middelpunt van onze wereld? Hoe groot is alles om ons heen en hoeveel sterren zijn er eigenlijk? Eigenlijk weten we er niets van af. We kunnen wel heel goed op basis van de stand van de sterren onze richting bepalen. Het lijkt alsof de sterren stilstaan aan de hemel maar we weten ook dat dat niet waar is. Onze voorvaderen hebben dat al ingezien en vastgelegd voor ons.”
Iedereen luisterde aandachtig naar wat Jasim zei. Hij werd beschouwd als wijsgeer van de groep. Jasim vertelde dat hij over de wereld rondgereisd had toen hij nog jonger was, en bij verschillende volkeren had hij cultuur en wetenschap opgesnoven.

Tolecnal haalde uit zijn reistas een manuscript op een linnen rol. Hij rolde het uit op de grond en sprak: “Wij leggen routes vast en gebruiken daar de stand van de sterren voor."
Iedereen van het woestijnvolk kroop dichtbij en keek aandachtig naar wat er op de rol stond.
“Daarom konden we ook zo snel naar de 'plek van de zonsondergang' reizen. We weten precies hoe we moeten gaan en waar we kunnen rusten," ging Tolecnal verder. Hij schoof met zijn hand over de kaart.
Jasim vroeg hoe ze dat vastlegden op het linnen doek. Solatnat legde uit dat ze van vruchten en kruiden een soort inkt maakten waarmee geschreven kon worden. Hij pakte een pauwenveer uit zijn kameelharen tas en liet deze boven zijn hoofd zien. Solatnat gaf aan dat hij Jasim kon leren hier mee om te gaan om kaarten te maken van dit onherbergzame gebied. Iedereen was er van onder de indruk. Ze kropen dichterbij Tolecnal en Solatnat om alles goed te kunnen zien.

Ayisha was heel dichtbij Tolecnal gekropen. Ze snoof zijn lichaamsgeur op. Het viel gelukkig niemand op. Hij voelde haar koele warmte dicht bij zich. Hij raakte haar hand aan en zij vlocht haar vingers om de zijne. Het was een gelukzalig moment. Tolecnal had zo een moment lang niet meer meegemaakt. Sinds zijn jeugd, toen hij bij Toon d'n Dwerg speelde in het dorp. Daar was hij ook zeer gelukkig geweest. Hij kende toen het echte verhaal van de Koning nog niet. Onbekommerd speelde hij met andere kinderen. Maar nu was het anders, volwassener, voller. Het gevoel was nu dieper, ruimer, meer naar de toekomst gericht. Tolecnal voelde dat dit verder ging, verder dan zijn eigen schaduw.

(wordt vervolgd)