VI. De ruinebewoner (deel 1)

(verbeterde versie; update)italic text

In de verte zagen ze ruïnes verspreid. Het leken dorpen van vroeger. De bewoners waren waarschijnlijk verdreven. Er lag een veld met aan de rand struiken. Ze leken de vroegere bewoners bescherming te bieden tegen mogelijke indringers. Zo te zien hadden er tussen de tien en vijftien gezinnen hier hun huis gehad. De contouren van de woningen waren nog duidelijk te zien, omdat de ruïne stenen van de muren nog overeind stonden. Een voorhuis waar de mensen woonden en aan de achterkant waar de beesten hun onderkomen hadden gehad. Hierdoor hielden ze elkaar warm. Vroeger was zo'n huis behaaglijk maar nu lagen de stenen in een open veld en was het daardoor kil en guur. Tolecnal onderzocht het terrein zeer uitvoerig, in de hoop dat hij tekenen van eerder leven zou kunnen herkennen. Behalve de stenen waren er geen recente sporen te bekennen.

Solatnat liep de andere kant op en luisterde met zijn oor tegen de grond. Hij hoorde niets behalve het waaien van de straffe wind. Ze liepen verder.
Nadat ze langs de bomenstrook waren doorgelopen zagen ze een grote ruïne op een heuvelrug. Ze zakten onmiddellijk op hun hurken naar beneden en bleven zo een tijdje zitten en bekeken de omgeving uitvoerig. Solatnat maakte met zijn hand een beweging naar beneden. Iedereen moest laag gaan zitten.
Opnieuw luisterde Solatnat met zijn oor tegen de grond. Hij hoorde zacht stommelen. Dat zou kunnen betekenen dat iemand of iets bezig was bij de ruïne.
Solatnat maakte duidelijk dat iedereen zich koest moest houden op de plek waar ze nu waren en dat hij op verkenning zou gaan. Hij pakte zijn zwaard uit zijn riem in de ene en een lemmet in zijn andere hand. Hij sloop naar de ruine toe.
Toen hij vlak bij de ruïne was, zag hij iemand in een donkerbruin gewaad met een capuchon. De verschijning schoof langzaam langs de stenen muren en mompelde af en toe wat. Wat hij mompelde was niet te verstaan. Solatnat bleef nog even kijken.
De verschijning maakte wat onduidelijke bewegingen. Het leek erop dat hij een lantaarnlicht vasthield en daar zwaaiende bewegingen mee maakte. Aan de andere kant van het gewaad blonk wat, een soort mes of klein zwaard.
De verschijning leek hem niet op te merken maar vreemd genoeg stopte hij steeds met bewegen als Solatnat dichter bij kwam.

Tenslotte stapte Solatnat het ruïnegebied binnen en de verschijning draaide zich rustig naar hem toe en zei: "Kumm bunnnen, kumm bunnen. Kumm duggterbe dunn kunn uk jjju ziun."
Het was moeilijk te verstaan. De verschijning sprak binnensmonds. Het was meer brommen dan praten. Daarna sprak de verschijning wel steeds duidelijker, het was steeds beter te verstaan.
"Uk sug ju al eerder neuderbij. Uk sul ju met vruedsaeme bedeoleingen beskoouwen."
Solatnat hield zich nog even stil. Hij keek alleen zeer scherp naar de voorwerpen, de lantaarn en het mes. Het was nu duidelijk te zien dat het een mes was. Een verkeerde beweging en Solatnat zou toeslaan.
Het wezen rochelde eerst heel diep en een groen vocht schoot op de grond. Er brandde een schroeiplek op de grond. Solatnat deinsde geschrokken terug.
De figuur hoestte nog eens heel diep en sprak weer verder: "Goed, goed, laat uw vrienden van verderop gerust ook hier naartoe komen." Het was nu goed te verstaan. "Ik zie ze daar dicht bij die bomen zich verschuilen. Ik had u al veel eerder opgemerkt".
Toen draaide het wezen zich naar de anderen toe en de bruine cape richtte zich naar hun gebied, alsof de richting werd aangewezen.
Solatnat kon nog steeds niet zien of het een mens was, of het een gezicht had. Boven in de capuchon was alleen een schaduw te zien. Het wezen liep weer heen en weer en liet een schaduw achter zich van de lantaarn.

Toen Solatnat een stap voorwaarts deed, draaide het zich snel om, sneller dan Solatnat had verwacht, en een fluim van bijtend vocht kwam vlak voor Solatnat terecht op de grond. Opnieuw brandde er een schroeiplek op de grond. Solatnat bleef verstijfd staan.
"Jongeheer, laat ik u waarschuwen, geen gevechtshandelingen of vreemde bewegingen te maken. U zult het van mij verliezen. Nog niemand die het tegen mij op nam is hier levend vandaan gekomen. Kijkt u daar maar", en de steppebewoner wees naar een hoek.
Daar lag een stapel van skeletten, boven en door elkaar.
"Jongeheer, laat ik u dit zeggen. U bent in gezelschap van een belangrijk persoon maar zelfs met zijn koninklijke kracht zal het hier uw bittere eind worden met kwade bedoelingen."
Zou dit wezen weten van Tolecnal, van zijn koninklijke achtergrond. Wat was dit een vreemde, eenzame gedaante? Tolecnal moest weten wat het gewaad allemaal wist. Hij vond dat er iets vreemds aan de gang was. Hij wantrouwde de situatie, wantrouwde duidelijk. Maar hij kwam tot de conclusie dat hij waarschijnlijk geen andere keus had dan de anderen te laten komen.

"Wie bent u en wat heeft u hier gebracht in dit eenzame gebied?", vroeg Solatnat. Hij wilde meer duidelijkheid.
"Jongeman, enig respect is op zijn plaats. U graaft in donkere spelonken zonder te weten waar u aan begint. Wees dus voorzichtig. Een verkeerde stap zou u in de afgrond kunnen storten".
De capuchon richtte zich weer in de richting van het gezelschap.
"Laat uw metgezellen, deze kant op komen.", zei de ruïnebewoner nogmaals, maar nu met meer nadruk, alsof ongeduld een rol begon te spelen en deed zelfs een aantal passen in hun richting.
"Angst zal u niet helpen en zeker niet uw metgezellen. U alleen bent makkelijk te verslaan en als strijder bent u zeker van groot nut voor dat gezelschap daar."
“Wie bent u, heer, en wat doet u hier, heer?", drong Solatnat nogmaals aan met nu grotere beleefdheid.
"Als uw metgezellen zich hier vervoegen, dan zal ik meer vertellen over mezelf en dan zal het u duidelijk worden wat ik hier doe".
Solatnat begon door te krijgen dat deze verschijning waarschijnlijk sterker was dan hijzelf. Enige voorzichtigheid was geboden en daarom maakte hij een gebaar, waarmee hij duidelijk wilde maken dat de anderen moesten komen, dat er geen gevaar dreigde. De groep kwam met grote voorzichtigheid naar de grote ruïne lopen. Ze gingen om de verschijning staan.

"Welkom, welkom, uwe hoogheden", gniffelde de capuchon. Het leek alsof hij de humor van deze situatie inzag. Iedereen van het gezelschap bleef stil maar keek wel met grote aandacht naar de mantel, de flikkerende lantaarn en het blinkende mes.
Tolecnal keek scherp om zich heen om iets te ontdekken waar hij iets mee kon. Onmiddellijk merkte hij de stapel skeletten in de hoek. Hij liet niet merken dat hij hiervan schrok.
"Ja, daar schrikt u van, nietwaar, uw edelbaarheid?", zei de ruïnebewoner.
"Ach ja, dat kan gebeuren bij ongevraagde brutaliteit. Uw metgezel heb ik daar ook al op gewezen. U hoeft echter niets te vrezen, als u geen vreesbare acties onderneemt. U laat zich in met nogal veel vergezellen. Ik vraag me af of dat wel zo verstandig is. Iedereen kan u verraden en iedereen kan u aanvallen. U bent zo makkelijk in de val te lokken, zonder dat iemand dat door heeft".

Tolecnal bleef om zich heen kijken. Hij zag in een ruïnemuur achter de bewoner een deur.
"Inderdaad, uw hoogheid. Daar ben ik naar binnen gekomen, toen ik u met uw gezellen zag aankomen in de verte. Ik heb u staan opwachten. Het duurde zo lang, ik werd er ongeduldig van. Wat heeft het voor een zin om zo lang te staan kijken naar een mogelijk gevaarlijke ruïne". Tolecnal dacht dat het geen kwaad kon om door te praten. Hij had dan de tijd om alles goed in zich op te nemen, en voor gevaar gewaarschuwd te zijn.
"Daarachter ligt een Rijk, waar u geen verstand van heeft en daar is niemand ooit geweest. U zult daar ook nooit komen. Te veel macht daar en te gevaarlijk. Ik ben ontsnapt en daarom ben ik hier. U zult zich afvragen wat voor een Rijk daar ligt? Dat kan ik u alleen laten voelen, zonder alles duidelijk te maken. Als u uw hart open stelt voor alle mogelijke gevoelens dan kan ik deze u laten openbaren. Maar wees voorzichtig, want de macht van dit Rijk is zo groot, dat zelfs mensen met een grootheid zoals u, kunnen bezwijken. Ik zal u helpen, zoveel als ik kan".

Tolecnal en Solatnat keken elkaar aan en wisselden een veelbetekenende blik uit. In dit soort situaties voelden zij elkaar feilloos aan. Ze wisten dat ze te kiezen hadden, tussen gewoon verder gaan, of zich openstellen en het mogelijke gevaar recht in de ogen kijken.
Tolecnal zag dat Solatnat wilde weten wat dit gewaad te zeggen had en waar het vandaan kwam. Evenzo merkte Solatnat deze zelfde gevoelens bij Tolecnal op.
"Goed, edelachtbaren, als jullie dan beiden dit Rijk zien dan zal ik eerst iets meer over mijzelf vertellen. Ik word wel de Kluizenaar genoemd omdat ik meestal alleen ben en zelden door anderen wordt gezien. Bovendien stel ik het niet op prijs om veel met anderen te spreken of bij anderen te zijn".
Tolecnal dacht hier anders over. Hij had nog niets gezegd, en deze verschijning bleef maar aan de praat. De ruïnebewoner leek inderdaad lang alleen te zijn.
"Wat is dan mijn Kluis, zult u zich afvragen? Waar vertoef ik dan zoal een groot deel van mijn dagen? Dat is eenvoudig, dat is hier achter deze vergrendeling. U kunt als mens achter deze deur niets waarnemen, maar er is daarachter een rijke schakering aan ervaringen waar te nemen, als u eenmaal in dat Rijk bent beland. Niet makkelijk om daar te komen, oh nee. In de holen en spelonken van mijn geheugen zal ik zoeken naar zaken die nu van belang zijn. Met al mijn wijsheid zal ik zaken aan u laten verschijnen, die voor jullie van belang kunnen zijn".
Er spoot opnieuw een fluim uit de mantel op de grond, nu vlak voor de voeten van Tolecnal. Hij sprong achteruit. Dit maakte geen indruk op hem.

(wordt vervolg deel 2)