Vanuit het diepste diep

Hij meldde zich bij blauwe maan,
een kompel in de mijn bedolven.
"Vader aan de lijn" en golven
vreugde gingen in mij slaan.

Zachtjes zwaaide in de gang
de hoorn, een pendel, heen en weer.
Zijn roepen luidde zich dit keer
een weg naar mij. Het duurde lang

- wij spraken beiden achter glas -
voordat ik meer dan klanken hoorde
maar niet meer dan losse woorden:
kou en stil en stof en as.

Hij riep mij uit het diepste diep.
Nog eenmaal riep hij en ik sliep.