V. Verborgen strijd - Land van angst (deel 2)

Het gezelschap zat rustig bij de heuvel te wachten totdat Tolecnal zou terugkeren, terugkeren van zijn zware overpeinzingen. Tolecnal deed dit wel vaker om door rust en nadenken meer grip te krijgen op de koers die ze moesten gaan. Tolecnal was verdwenen achter de kleine heuvel aan het meer. Ze hadden een kampvuur aangemaakt en zaten rustig bij elkaar wat te eten van de restanten die ze nog bij zich droegen in de draagzakken.

Toen ze op adem aan het komen waren, verscheen Chimaria vlak voor hen. Chimaira was een wezen dat zijn ontstaan te danken had aan de lagere godheden. Dit monster was van voren een leeuw, van achteren een draak en in het midden een geit. Uit zijn bek kwam vuur en een verterende adem. Chimaira naderde zeer langzaam en controleerde de omgeving mijn al zijn ogen, de leeuw sloop steeds dichterbij, de geit hield beide flanken in de gaten, en de draak keek voortdurend licht met zijn kop draaiend naar achteren.
Gelukkig stond de wind niet in hun rug, waardoor de geur van het gezelschap het beest niet nog wilder en kwader kon maken. Chimaria ontdekte het gezelschap en rende op hen af. Het wezen was duidelijk van zin om hen te verslinden. Solatnat vloog overeind en meer dan welk ander sterfelijk wezen ook begon hij met zijn immens grote zwaard in de hakken op Chimaira. Het deinsde naar achter maar niet ver genoeg om geen gevaar voor het gezelschap te zijn. Ze hoopten dat Tolecnal nog net op tijd terug zou komen om het helpen te bestrijden.
"Tolecnal, Tolecnal !", schreeuwde hij. Solatnat gaf de anderen opdracht hun fakkels aan te steken en naar Chimaira te lopen en daarbij wel al zijn gevaarlijke bewegingen goed in de gaten te houden en een kleine opening te maken waardoor het zou kunnen vluchten. Iedereen pakte een fakkel en ontstak deze aan het kampvuur. Van alle kanten omringden ze nu Chimaira, met voorzichtige toenadering. Het beest begon wild met zijn lijf en koppen te bewegen en het was duidelijk dat het in het nauw werd gedreven.

"Tolecnal", schreewde Soltanat nog maals, maar nu met veel meer geluid. De drakenbek vatte dit op als een aanval en spuwde weer vuur en verterende adem. Iedereen sprong op tijd op zij om te zorgen dat de verbrandende vlammen niemand kon raken. De leeuwenkop gromde en grauwde. Iedereen van het gezelschap ging met hun fakkel om het wezen heenlopen in een cirkel. Chimaira probeerde iedereen in de gaten te houden om een aanval te kunnen inzetten. Chimaira ging steeds sneller draaien om zijn eigen as. Ze lieten bij het draaien voortdurend een kleine opening ontstaan waardoor het dacht te kunnen ontvluchten. Chimaira bleef maar vuur spuwen, de leeuw ging steeds kleinere rondjes draaien totdat uiteindelijk de drakenkop een gruwelijk vuur en verterende adem verspreidde die vlam vatte in de haren van de leeuwenkop. De geitenbek begon in paniek rond te draaien en te gillen. Solatnat had zich bij de kleine opening opgesteld en had zijn pijl en boog op spanning, in de aanslag. Hij concentreerde zich op de kop van de draak en schoot snel achter elkaar pijlen af. De pijlen raakten de draak midden in de kop en het vuurspuwen hield op. De brandende leeuwenkop voelde zich in het nauw gedreven en zette het op een lopen, precies door de opening van het gezelschap. Toen Chimaira op of over Solatnat wilde springen opende Solatnat een spervuur van pijlen op de kop van leeuw.

Tolecnal kwam over de heuvel aangesneld en rende op het beest af. Hij hief zijn zwaard hoog in de lucht en benaderde Chimaira van achter. Het wezen dreigde Solatnat te bedelven maar hij kon nog net pijlen afvuren op het laatste levende deel, de geitenkop. Tegelijkertijd priemde Tolecnal zijn zware zwaard in het zware lijf. Het monster brulde een laatste kreet van leven en het viel met zijn volle gewicht op het lichaam van Solatnat. Chimaria was dood, zwaar maar dood. Solatnat rolde onder het kadaver vandaan en keek triomfantelijk naar dit duistere wezen van lage godheden.

(wordt vervolgd)