Tegendinging-1

‘Heb je even tijd?’
Tijd? Nee, natuurlijk niet. Ik ben net druk bezig met de notitie die hij gisteren had willen hebben. “Oneerlijke concurrentie”. Tegenspraak in zichzelf. Er is ook een duurder woord (Latijn, geloof ik), maar daar kan ik zo gauw niet op komen. Ik ben maar een eenvoudig A-gegradueerde.
Een studie in woordduiding, dus. Concurrentie is in wezen nooit eerlijk, want heeft de bedoeling de naaste te vernietigen. Om dat te verbloemen is het woord mededinging uitgevonden. Ook taalpurisme, want een tegenstelling in zichzelf. Niks “mede”. Tegendinging, maar dat bestaat nu eenmaal niet. Misschien inzenden naar “Onze Taal”?
Maar goed. Verbloeming dus. En wel van de strijd op leven en dood, die handel in wezen is.

Verdomd, ik heb het. Contradictio in terminis. Of ‘…us’, daar wil ik af wezen. Of is dat een spoorweg-eindstation? Zoals in Parijs. Terminus Nord. Jesses, Parijs. Maxime. Hélène. Breekt u mij de bek niet open als het om alternatieve levensvormen gaat. Maar ik moet weer eens verder, want als je niet oplet blijft zoiets dooretteren. Een verlammende werking. Dit ging nog snel. Het is ‘…is’ dus.
Mooi, waar was ik. Oh ja, ik moet naar de hopman. Men noemt mij namelijk de akela in de wandeling. Een sluitende definitie van mijn positie in dit bedrijf, dat galmt van de valse ethiek.

Ik hijs de rok iets hoger. Tien centimeter boven de knie. In zittende houding vijftien.
Ik klop op de deur. Volgens voorschrift. Die man moet eens een cursus moderne omgangsvormen hebben. Kloppen, notabene. Zijn belangrijkste medewerkster. In het huidige idioom medewerker, maar dat verdom ik. Ik ben vrouw, en niet zo’n beetje ook. Daarover later. Men moet zijn wapens niet te vroeg prijs geven.
‘Binnen.’ Ja allicht, daar klop ik voor.

‘Ha, kind.’ Valse vaderlijkheid. Want hij loert niet voor niks naar wat ik aan heb. Deze ochtend is dat redelijk fatsoenlijk. Een BH, zodat hij mijn tepels niet kan zien. En de rok, zoals reeds besproken.
‘Ga zitten.’ Ja, wat dacht hij dan, dat ik zou blijven staan als een schoolkind. Ik schuif de stoel niet helemaal aan, want het kniewapen blijft dan intact.
Hij legt een brief neer op zijn bureau. De bedoeling is dan dat ik mij voorover buig om die te pakken. Maar ik blijf rechtop zitten en strek mijn arm uit en pak het ding op. Een lichte trek van teleurstelling tekent zich af op zijn gebruinde en toch wel mannelijke gelaat. Want hij ligt nog redelijk in de markt, eerlijk is eerlijk. En als hij niet mijn baas was…
Ik kijk naar het briefhoofd. "Jansen, Jansen en Pietersen". Een gerenommeerd advocatenkantoor.
Wat hij niet weet is dat ik iets met Jansen heb. Altijd handig om je kaarten te verdelen.

Ik lees de brief en val om van verbazing.

hendrik