Seriemoordenaar

Het is nog donker als Joran het huis verlaat. Hij draagt zijn zwarte leren jack en een tas met iets groots erin. Omdat het koud is, zet hij de kraag van bont op en sluit hem over zijn mond. Hij loopt de besneeuwde straat uit en gaat de hoek om. Daar staat een auto met draaiende motor in de goot. Achter het stuur zit een man met lichtbruin haar en dikke brilleglazen voor zijn ogen. Joran gaat naast hem zitten.

'Bedankt pap.'

‘Jorannetje, sukkel,’ zegt zijn vader treiterend. ‘Je hebt er weer een zootje van gemaakt, nietwaar? En wie moet je weer helpen de sporen uit te wissen? Je vadertje…’

‘Hou je bek, Pa.’

Zijn vader start de motor. ‘Sukkel…’ mompelt hij nogmaals.

Zonder verder iets te zeggen rijden ze de straat uit. Op de klok in de verte is het 4.30 uur in de ochtend.

Tijdens de rit spreken ze niet. Joran steekt een sigaret op, biedt er een aan zijn vader aan en deze steekt hem in zijn mond en Joran geeft hem vuur. Ze roken en zwijgen.

'Je moeder mag het niet weten. Niemand mag het weten. Mijn reputatie jongen, verd…'

'Natuurlijk niet pa, rijd nou maar. Ik ben niet gek.'

Ze rijden een minuut of tien, totdat ze de stad verlaten hebben. Even later rijden ze over de snelweg tussen landerijen. Boven de velden hangt mist. Koeien lopen er in rond maar lijken geen last van de kou te hebben.

‘Hoe zal ze erbij liggen?’ Vraagt Joran. De stilte wordt met zijn vraag doorbroken.

‘Recht.’

‘Oh, op die manier.’ Joran zucht.

‘Ik zei je toch dat je haar had moeten bedekken. Hoe kan je haar nou zomaar laten liggen, jongen? Dan wordt ze meteen gevonden en als ze gevonden wordt dan ben je erbij. Ze is natuurlijk ook nog eens zo stijf als een plank met dit weer. Ik geef je advies hoe te handelen en je luistert niet…’

‘Hou je bek nou maar. We zagen haar in stukken en we nemen haar mee. Thuis zie ik wel kans om haar te laten verdwijnen. Ik kan haar verbranden. Joran haalt een zaag uit zijn tas. ‘Ik heb er rekening mee gehouden.’

‘We!? Zei je we? Wat ben je toch een brutale vlerk. Jij hebt haar omgelegd, Joran, niet ik. Je mag het deze keer zelf opknappen. Een lijk in stukken zagen, dat is smerig. Denk je dat ik haar armen eraf ga zagen of zo? Ik ben niet gek, jongen… Ik zit al diep genoeg in de problemen dankzij jou. Hoe ver wil je gaan, jongen? Ik heb je geholpen en je bent me niet dankbaar…'
De brilleglazen op zijn neus beslaan van de opwinding. 'Bovendien, waar wil je de stukken instoppen?' vervolgt hij. 'Je hebt geeneens zakken of tassen mee genomen en ik moet die troep niet in mijn auto. Dat is toch logisch, jongen. Denk toch eens na. Waar zit je verstand? Hoeveel heb je er al omgelegd? En elke keer weer heb je je vaders hulp nodig. Er komt een dag dat ik je aangeef… Dan hang ik zelf ook maar. Ik hou dit ook niet vol, he?’

‘Luister pa, hou je bek zei ik. Jij bent ook zo dom he? Of moet ik jou ook omleggen? Je weet dat ik het kan.’ Joran kijkt hem vuil aan. Er valt een vreemde stilte. Een stilte waarin het ronken van de motor als een krankzinnig lied klinkt. 'Luister pa, ik ben iedereen te slim af, je hoeft niet bang te zijn. Ze denken dat ze me pakken kunnen maar die sukkels, weet je, ik pak hun. Geloof me nou pa. Ik pak hun gewoon.'

De vader van Joran schudt zijn hoofd maar zegt niets meer. Zijn zoon is hem allang geleden boven het hoofd gegroeid. Vaak wenst hij dat zijn zoon nooit geboren zou zijn. Een zoon uit de hel.

Joran gooit zijn sigarettenpek uit het raampje van de auto en steekt zijn handen in zijn zakken. Het is ijskoud in de auto. De verwarming is kapot en Joran ziet zijn adem als witte damp voor zijn mond.

'Kutauto,' zegt Joran.

'Geen commentaar Joran, het is de enige auto die je moeder en ik nog kunnen betalen na alles wat we met jou hebben meegmaakt.'

Joran haalt zijn schouders op. Na een tijdje begint hij weer te spreken.

'Misschien bedek ik haar met bladeren, dan verrot ze wel.'

Zijn vader zucht. 'Je moet ermee stoppen, jongen. Het is ziek. Je bent mijn kind maar ik hou dit niet vol.'

‘We zijn er denk ik bijna,’ zegt Joran. ‘Hier links het pad op, pa, daar verderop ligt ze.'

De auto draait een zijweg in en dan rijden ze over een smal zandpad een bos in.

Na tientallen meters stopt de auto. Ze turen door het raam. Sneeuw begint uit de bomen te vallen.

‘Ja, hier is het, kijk maar…’

‘Luguber, in zo’n bos,’ zegt zijn vader. 'Die stumpert. Heb je geen medelijden met haar? Voel je helemaal niets dan?'

'Wat moeit ik voelen dan? Gebeurd is gebeurd.'

'Afschuwelijk,' zegt zijn vader.

Dan stappen ze uit. In de verte zien ze haar liggen. Ze ligt naakt, met gespreide armen. Donkere vlekken tekenen zich af op haar lichaam. Ze komen dichterbij en staan een tijdje naar het lijk te kijken. Ondanks de kou kruipen er insekten over haar huid.

'Creepy,' fluistert zijn vader. 'Doodeng.'

'Creepy, maar wel lekker warm straks, pa,' zegt Joran. Hij zet de zaag op het lichaam en begint de zijtakken van de boom af te zagen.

Schrijfopdracht 2, Flits-Fictie, Andreas Blender