School, gedicht

De logge muren als van een cachot, een witgekalkte
kooi met afdrukken van kindervingers op de ramen.
Waar krijt de woorden uit mijn mond kwam kramen.

Krassen op het bord, zo snerpend legt het mij nu nog
het zwijgen op. Stiller nog dan het bedekte zijn en blijven,
blijven waar men niet vertoeven wil
diep in zichzelf gekeerd.
Dat heb ik daar geleerd.

School. Wat ik daar deed? Ik herinner mij de geur
van altijd maar Geraniums; de rode blaadjes op de vensterbank.
Ik hoor het groene sluiten van een deur,
en voel een kachel die mijn rechterwang
laat gloeien. Ik zie een kolenkit die kegels braakt
in een metalen muil die gromt en loeit.
Daar ben ik opgegroeid.
Verschroeid tot in het binnenste
van wat een kosmos was. Roodgloeiend vuur,
ik ben het as.

Ik ruik een houten tafeltje, wat was, de inktpot vol met boeken, ooit.
Ik zie een kroontjespen, de stempeltjes, de zinnetjes: 'heel goed gewerkt!’,
die ik toch nooit verdienen kon met dromen, dromen
om daarvan weg te komen.
Zo werd ik niet meer opgemerkt.

Ik zie haar rug, die immer blauw beklede brug, twee blonde vlechten.
Ik zie het haar terug van mijn vriendin, zo broos
was ik in dit gewin.
Hoor ik de echo van haar lach weer opgaan in de trage bel?
Mijn God, het klinkt als krijsen in de hel.
En ik die niet vertrekken mocht maar na moest blijven, blijven
waar men niet vertoeven wil.
Zodat ze heen ging om alleen naar huis te gaan
waar nu nog wordt geleden, omdat ze daar niet komen kon,
niet komen zonder mij.

Onbeweeglijk zat ik daar
niets uit te voeren wat op leven leek.
En 's middags ginds een lege plek, die neemt haar sindsdien in.
Ik ben niet vrij, want ook in mij is zij getreden als een dagelijks nabij.
De onderwijzer zei met een bedroefd gelaat tegen de klas, als enkel tegen mij:
’Een grote combinatie heeft haar doodgereden.’

School, je woont in mij als ik in jou.
Achter je ogen is de lucht soms grijs, soms wit, soms blauw.
Ik ben daar om te blijven, blijven
waar ik niet vertoeven wil gedompeld onder in mijzelf.
Die bodemloze krocht vol as
waar ik niet ben, noch was, maar plicht.
Ik ben het stof van krijt dat van de woorden wist,
wat daar maar overreden blijft zonder gewicht.
Jaar in, jaar uit, in banen opgesloten licht.