Quo Vadis-2

Ze klommen aan boord, nadat Cornelis de schoenen had uitgedaan. Petra zag dat goedkeurend aan. De scheeps-etiquette ter bescherming van het houten dek.
‘Hier. Heb je gympies. Loopt wat makkelijker. En als je even wacht dan leg ik wat kleren in de kajuit die je aan kunt doen. In het kastje aan bakboord kun je je spullen doen. Sleutel zit er op’.
Hij kwam terug in een oude maar schone trui en een spijkerbroek.
‘Goed zo, ben je een beetje toonbaar. Het was echt geen ponem, al dat textiel. Biertje?’
Ze wachtte zijn akkoord niet af, verdween in de kajuit en kwam terug met twee flesjes, waar de dop al af was.
‘Glazen heb ik wel, maar die gaan altijd kapot. En dat heb ik liever niet aan boord’.
Ze gingen in de kuip zitten, achterop. Over het water kwam loom gepraat van de mensen op de schepen in het haventje. Zachte muziek. Mozart. De Haffner symphonie.
Ze zeiden eerst een poosje niets. Dan:
‘Cor?’
‘Ja?’
‘Volgens mij ben jij ernstig gehuwd’.

Cornelis keek een tijdje naar het licht van de ondergaande zon door de flesjesbodem heen. Dan knikte hij bedachtzaam.
‘Ja. In ieder geval getrouwd. Hoe ernstig weet ik niet’.
‘Nooit vreemd geweest, wed ik’.
Vreemd gaan, dat was het woord niet. Althans niet op eigen initiatief. Het waren meer dagtrips in een vreemd land, waar Maria de geroutineerde reisleidster was en hem wilde encanailleren. Hij herinnerde zich een feestje, waar Maria hem in de aandacht van een vriendin had aanbevolen. Om de stemming niet te bederven had hij aan de minimumeisen voldaan, genoeg voor een eervolle vermelding maar zeker geen prijs. Levendige party, dat moest gezegd, maar wat hem betreft niet voor herhaling vatbaar.
Petra zag hem denken. ‘Ach, laat ook maar. Je bent niet het prototype van de losbol’.
Haar gesprekstoon en accent waren nu opvallend verschillend van die met de moeie jongen. De goede opvoeding scheen door.
‘Ben jij gelukkig, Cornelis?’
‘Nee. Jij?’
‘Nee. Laten we maar naar bed gaan. Mag ik bij je slapen?’
Hij keek naar de kooien aan bak- en stuurboordzijde, die tamelijk nauw waren.
‘In het vooronder is meer ruimte’.
Hij trok zijn spijkerbroek en trui uit en ging voorin liggen. Petra verscheen als een schim in een witte nachtjurk, nestelde zich in zijn armen, gromde even van genot en viel toen snurkend in slaap.

Zijn nachtrust was niet geheel ongestoord. Petra sliep woelig en was zich niet geheel meer bewust van haar slaapgenoot. Om half drie begon ze hem al slapend te omhelzen. Hij was niet zo onkreukbaar dat hij niet even overwoog er op in te gaan. Maar hij wilde er geen misbruik van maken en maakte haar wakker. ‘Niet doen, Petra’.
Ze deed verkreukelde ogen open, als een klein meisje. Had even nodig om zich te oriënteren, keek hem dan verbaasd aan. ‘Sorry hoor. Wat ben jij een heer, zeg’, draaide zich om en viel weer in slaap. De rest van de nacht was hij klaarwakker, in het besef van haar lichaam, dat deels tegen hem aan en deels op hem lag.
Tegen zevenen begon de boot te schommelen. Hij hoorde wind door de stagen gieren en voelde golven hoog tegen de zijkant slaan. Maar goed dat ze op de kop van de steiger waren afgemeerd, zodat er geen andere schepen naast hen lagen.
‘Wakker worden, Petra. We krijgen zwaar weer’.
Ze rekte zich uit. Een borst viel uit de plooien van het nachthemd. Ze deed die niet terug, maar ging op haar rug liggen, de handen onder haar hoofd.
‘Lekker, ik hou van storm’.
Zijns ondanks keek hij naar haar, zoals ze daar zinnelijk genietend lag, in het gedempte licht van een patrijspoort.
‘Vind je me mooi?’
Hij vertrouwde zijn stem niet, dus hij volstond met knikken.
Ze trok de nachtpon over haar hoofd uit en keek hem strak aan, de haren verward over haar voorhoofd. Ze was stevig en sensueel gebouwd.
Met de rug van zijn hand streek hij over haar schouder. Ging omlaag naar haar borst en beroerde heel licht met zijn wijsvinger het topje.
Ze glimlachte.
‘Jij weet tenminste hoe het moet. Die pubers hier kneden je altijd of ze bij de slager zijn.’
Ze sloeg haar armen om hem heen.
‘Je bent behoorlijk gespierd. En je hebt een baard ook. Toch ook nog een echte man’.
Ze zoende hem op de mond en liet haar handen over zijn buik gaan. ‘Zwaar weer. Je had gelijk’.

En toen greep opnieuw het platte leven in. Zijn mobiel rinkelde.

hendrik