Quo Vadis

Het is een prachtig gebaar de deur woedend met een klap achter je dicht te gooien. Maar dan kun je niet eerst nog even een weekendtasje gaan pakken met toiletspullen en een schone onderbroek. Dat tast de dramatiek onherstelbaar aan. Dus stond Cornelis nu op straat zonder enige voorziening.
Hij had nog wel net zijn portefeuille van het bureau gegrist, en zijn paspoort, geld en creditcards. De autosleutels had hij nog in zijn broekzak. Zijn mobiel zat in zijn jasje. Dus keurig gekleed in driedelig grijs de wijde wereld in.
Maria zou nu wel zitten gnuiven. Hij was altijd bij haar terug gekomen, dus ze maakte zich waarschijnlijk geen zorgen.

Waarheen. In ieder geval de stad uit om geen mensen tegen te komen die zouden vragen wat hij daar in ’s hemelsnaam om zeven uur ’s avonds deed. Waar en hoe laat ook, maar iemand tegenkomen deed je vast en zeker.
Maar even naar de Kaag, een kopje koffie drinken aan de plas en afdraaien. Ver genoeg weg om onopgemerkt te blijven. En het kabbelende water werkte rustgevend.
Hij zat op het terras op de houten steiger voor de “Rustende Visser” en zag niets en hoorde niets. Een meisje met het bordje “Mien” op haar T-shirt vroeg wat hij wilde hebben. Oh, sorry, een koffie alsjeblieft.

Zijn mobiel ging. Kantoor.
‘Met Cornelis ……. hoi Amanda …… nee, ben even weg, hoe zo …… nee, ik kan niet naar de zaak komen ……. nee, er is niets. Maar kan het niet wachten? ……. mooi, ik bel je nog’.
Amanda was altijd tot diep in de avond bezig. Niet getrouwd, dus ze kon haar tijd indelen naar eigen believen. Een gezellige, zij het wat ambitieuze collega. Wat zij niet van reclame wist, kon je op een pleepapiertje schrijven. Haar eigen woorden, want ze had een openhartige wijze van uitdrukken.
Hij was nog nooit met haar naar bed geweest. Niet omdat ze niet de moeite waard was, maar hij wilde geen waardevolle werkkracht verliezen. Fatsoensoverwegingen speelden daarbij geen rol. Maria ging ook vreemd als het haar uit kwam. Ze had beter een andere naam kunnen hebben, met een minder ethische teneur.
En dan wilde ze desondanks toch nog kinderen hebben en blijven werken ook. Het moderne gezin van de snelle-managers generatie, die kinderen vrijwel direct na de baring naar de crèche brachten en later bij de hulp lieten opgroeien.
Hij had dat kunnen tegenhouden, hoewel hij best van die peuters om zich heen had willen hebben. Maar hij zag zichzelf ook weer niet direct als de ideale huisman.

Hij ging op de steiger zitten, waar ook drank werd verstrekt. Om hem heen dartelden de godinnetjes met de rijke bootbezitters. Een enkele jonge god was ook zichtbaar, voor de varensman met speciale belangstelling.
Naast hem zaten een jongen en een meisje in gescheurde spijkerbroeken en dito T-shirts.
Ze kon niet van hem afblijven. ‘Ga je even mee naar boord?’
De jongen schudde loom het hoofd. ‘Ik ben moe’.
‘OK. Ik zoek wel iemand anders’.
‘Succes’.
‘Dank je’. Een beleefd meisje.
Er kan niet worden beweerd dat Cornelis een preuts man was, gezien de kringen waarin hij verkeerde. Maar deze conversatie trof hem toch als ongebruikelijk liberaal.

Het meisje keek schattend rond. Ze zag Cornelis zitten. Nee hè? Hij dook ineen, maar het meisje zag een gelegenheid de sleur te doorbreken van jong en bruin en spijkerbroek. Driedelig grijs was weer eens wat anders. Ze ging aan zijn tafeltje zitten.
‘Ik ben Petra’.
‘Ik niet’.
Nou, die sloeg in, Ze trof hem amicaal doch gevoelig op de schouder en riep het bedienende meisje.
‘Mientje, vraag eens wat meneer van me wil drinken’.
‘Een biertje alsjeblieft. En men noemt mij Cornelis’.
Ze had ook bier genomen en dronk hem toe.
‘Cor, kerel, op je gezondheid. Heb je wel nodig zo te zien’.
‘Proost, Petra. Maar bij mij is niets te halen, wees gewaarschuwd. Ik ben het verleerd’.
‘Moet je niet zeggen, moet je niet zeggen. Net als fietsen, dat gaat ook nog prima op leeftijd’.
Cornelis dronk langzaam van zijn bier en keek naar de plas in het lage avondlicht, dat blikkerde op het water. Een enkele boot kwam nog langzaam binnen, maar het haventje was zo goed als vol. Er lagen verschillende soorten schepen. BM’s, een Draak, een Valk, veel nieuwe fancy-modellen, maar ook een groter ouderwets zeilschip. Alles hout, sisal touwwerk en linnen zeil. Prachtig. Geen plastic en nylon, maar het oude handwerk, met veel koper. Op de boeg stond de naam, in gouden krulletters. En je raadt het nooit, maar dat was Quo Vadis. Wat kan het leven plat zijn.

‘Kun jij zeilen, Cor?’
Dat was nou één van de dingen die hij wel degelijk kon. In zijn jeugd had hij vele vakanties op de plassen doorgebracht. Je had natuurlijk het toen nog illegaal overnachten voor anker in de rietkraag, maar in open water met een wind zeven was hij pas in zijn element.
‘Jawel. Redelijk goed’.
‘Ook een groot schip?’
‘Die daar?’ Hij wees naar de Quo Vadis. Ze knikte.
‘Ik dacht dat die voor geslachtsverkeer bedoeld was’.
‘Desgewenst, maar ze kan ook varen’.
‘Dus ik hoef niet ….’.
Ze keek hem verbaasd aan.
‘Een weigering door een heer in het pak. Mijn bekoringskracht begint sleets te worden’.
‘Niks hoor. Maar ik ben geen partij voor je.’
Ze keek hem nog eens goed aan, van boven tot onder in zijn driedelig grijs.
‘Ben je daarin geboren?’
‘Gewoon mijn werkpak. Een overall, maar dan anders’.
Ze knikte, weinig overtuigd. ‘Een ketelpak voor de betere standen dus. Zin om mee aan boord te gaan?’
‘Geen dubbele bodem?’
‘Ha ha. Een zeemansgrap. Nee hoor, geen zorgen. Maar je wilt misschien wel wat anders aantrekken. Een vest is sexy hoor, daar niet van, maar het lijkt mij een beetje warm’.
Hij keek zuinig. ‘Wie is er nog meer aan boord?’
‘Niemand. Mijn vader komt altijd het weekend, maar voor de rest van de week heb ik het rijk alleen’.
‘En hoef ik dan niet te ……’.
‘Zei ik toch al? Nee hoor, ik hou het wel op. Kom maar mee. Je bent helemaal ondersteboven. Arme man.’