Bruidsmeisje, openingsscene verhaal
bruid2.jpg

August zette zijn hoed op en verliet de woning. Een kleed van licht viel over zijn gedaante en verblindde hem enigszins. Traag liep hij over de kasseien en tuurde met samengeknepen ogen naar de wolken. De zon bloedde goud. Verderop, boven de rode huizen van het stationsgebouw, kleefde een wolk aan de hemel.
In zijn knoopsgat stak een witte bloem, alsof hij onderweg was naar een trouwerij. Een lelie met oranje pitten in het hart. Toen hij begon te bewegen kruimelde stuifmeel van de bloem. Het bleef liggen op de revers van zijn zwarte jas. Zijn vingers, mosterdkleurig van het roken, wreven over de stof met als gevolg dat het stuifmeel gele vlekken maakte.

‘Dit is verkeerd,’ zei hij ontstemd, maar tegen niemand in het bijzonder, ‘ik bevuil mezelf als een schaap dat staat te schijten…’

August stak de straat over. Onder zijn schoenen zaten stukjes metaal, zoals tapdansers hebben, waardoor zijn stappen een merkwaardig hol geluid op de stenen maakten.
Aan de overkant van de weg stond een klein meisje in een wit jurkje onder een boom. Ze hield een rode bal onder haar arm en scheen niet te spelen, niet op iemand te wachten. Ze stond daar maar, alsof zij door een vilder opgezet was. Zonlicht wat door het bladerdek viel raakte aan haar voeten verstrooid.
August, die eerst onderweg was naar het huis van zijn moeder voor een wekelijkse afspraak voor koffie met een mokkagebakje, waarna hij naar zijn tweede tapdansles zou gaan, vertraagde zijn pas om het meisje eens beter te bekijken. Het was een mooi meisje met een fijngesneden, ietwat vinnig gezichtje. Maar zoals ze daar stond met die bal onder haar arm was ze bijna onwerkelijk, als uit een schildering gesneden met een mes. Normaal gesproken zou hij niemand aanspreken op straat. Geen enkele zondag was hij ooit opgehouden door personen die hij tegenkwam, maar nu, met dit meisje dat daar zo eenzaam stond, voelde hij een soort vaderlijke drang om haar te beschermen. Het was bijna alsof hij zich verantwoordelijk wist voor haar verschijning. Wat als zij verdwaald was, of misschien ziek? Misschien was zij wel geestesziek… Was het dan niet zijn burgerlijke plicht om zich over dat kind te ontfermen?

Opening van kort verhaal, door Anna Appels