Ontmoeten

Bern liep het dorp in. Een plein, doorsneden door een murmelende beek. Rechts een kleine kerk, meer een kapel. Er achter een begraafplaats. Geen uitbundige beeldengalerij, maar strakke stenen, passend in de strenge cultuur van deze streek.
Voor de kapel zat een priester in een versleten habijt, te dommelen in de zon. Die hoorde zijn voetstappen in het grind en deed loom de ogen open.
‘Middag.’ Geen avé of mijn zoon, nee, middag.
‘Middag’, zei Bern dus ook maar.
Hij schoof enigszins opzij. Bern begreep de uitnodiging en nam plaats aan de andere zijde van de bank.
Ze zwegen enige tijd en warmden zich in de zon.
‘Al lang onderweg?’
Voor meerderlei uitleg vatbaar. Bern haalde de schouders op. ‘Weet ik eigenlijk niet.’
‘Nee. Wanneer weet men dat eigenlijk wel.’
Bern knikte. ‘Ligt aan je doel.’
De priester stak de hand uit. ‘Men noemt mij vader Charles.’
Hij zweeg en keek Bern even goed aan.’Of Sjarel, in de volksmond. En voor vrienden.’
'Ik heet Bern.’
‘Bern? Een afkorting?’
‘Ja. Bernhard.’
‘Bernhard.’ Hij proefde dat even op de tong en keek hem aan. Hij wilde nog iets zeggen maar bedacht zich. In plaats daarvan haalde hij een pakje sigaretten uit de zak, dat hij Bern vragend voorhield. Die was geen verwoed roker, maar begreep de symboliek van het gebaar. Hij pakte er dus een uit. Een voorlopige vredespijp, tot meer informatie beschikbaar was.
‘Is je doel nader te formuleren?’
‘Dat moet nog blijken.’
De priester knikte weer. Een begrijpend man, die knikken prefereerde boven nauwkeurige definitie.
Bern keek verder het plein rond. Aan de overkant zag hij het hotel. Een grote witte zwaan was aan de gevel bevestigd. ‘Ah, daar zie ik mijn hotel.’
Charles schudde het hoofd.
‘Nee? Zijn er dan nog meer?’
‘Nee. Maar deze is nu gesloten.’
‘En ik heb een kamer gereserveerd.’
‘Noodgeval. De bazin is zwanger en is net naar het ziekenhuis gebracht.’
‘Oh. Nou, dan moet ik een ander hotel zoeken.’
‘Er is er maar een hier.’
‘Geen kamerverhuur?’
‘Alleen Tante Mathilde. Maar dat zou ik je niet aanraden. Die heeft mannen als wandversiering. Naast de hertenkoppen.’
Bern stond op. ‘Nou, dan ga ik mijn auto maar halen.’
‘Waar staat die?’
Hij beschreef het huis en de vrouw er van.
‘Oh, Elisabeth. Mijn huiszondares. Biecht de hele wereld aan elkaar en heeft niks te vertellen. Jammer. Maar ze heeft een groot erf. Ik bel wel even. Tenminste…’
Bern keek vragend. ‘Nou, ik heb wel een slaapplaats voor je. Oude gewoonte van de geestelijkheid. Je weet maar nooit of je niet een bekeerling kunt vangen, als tegenprestatie voor het onderdak.’
Hij lachte toen hij Bern zag twijfelen. ‘Maak je geen zorgen. Als er iemand bekeerd moet worden, ben ik het wel. De eeuwige twijfelaar, that’s me.’
Hij rommelde wat in de diepe zakken van zijn soutane en haalde er een mobiele telefoon uit. ‘Liesje? … hoi … met mij … goed hoor, en met jou? … mooi. Ik heb een verzoek aan je … ja ja ….’
Bern stond op want het gesprek bleef maar voortkabbelen. Hij zag een houten poort, begroeid met klimop en rozenranken. Daar achter lag het kerkhof. Altijd hartbrekend.
Hij aarzelde door te lopen. Nog te vroeg.
Hij hoorde de priester het gesprek af breken.’OK.’ Dan tegen hem: ‘Je kunt de auto daar voorlopig wel laten staan. Straks laat ik iemand wel even je koffers er uit halen.’
‘Dat is er maar één. Die staat op de achterbank. Hier heb je het sleuteltje. En waar kan ik dan slapen.’
‘Hier. Als je wilt. Ik heb de sacristie laten ombouwen tot logeerkamer. Er komen hier meer zwervers. En bidden kan ik overal. Handig. Hoef je niet steeds weer naar huis.’

De mannen zwegen in de ondergaande zon.

hendrik