De invloed van angst op de sociale competentie

Deze studie richt zich op de invloed van angst op de sociale competentie van kinderen tussen de 7 en 16 jaar oud. Drie factoren worden geassocieerd met sociale competentie. Dit zijn de interpretatie van een sociale situatie, de sociale verwachtingen en de relaties met leeftijdsgenoten. Door middel van drie wetenschappelijke artikelen, die zich op onderzoek naar de invloed van angst op deze factoren richten, kan een duidelijke conclusie getrokken worden. Sociaal angstige kinderen hebben de neiging een dubbelzinnige situatie eerder als bedreigend of negatief te ervaren, wat een aanpassing in sociaal gedrag kan verstoren. Ook beschikken kinderen met een angststoornis over negatieve verwachtingen over het eigen optreden in een sociale situatie. Zij gaan uit van een zorgvuldige en gehele evaluatie, waardoor zij het liefst sociale situaties vermijden. Vanwege dit afwijkende gedrag, wat een vermindering in vriendelijkheid en meewerking tot gevolg heeft, hebben zij een minder goede relatie met hun leeftijdsgenoten en worden zij minder geaccepteerd. Angstige of sociaal angstige kinderen beschikken dus over een lagere sociale competentie.

De invloed van angst op de sociale competentie van kinderen tussen de 7 en 16 jaar oud

Angst is één van de basisemoties. Zo is ieder mens wel eens bang. Als angst echter je functioneren beperkt, of sterker nog, je leven bepaalt, dan kan er gesproken worden van een angststoornis. Alleen al in Nederland leven 800.000 mensen met een angststoornis. In het geval van een angststoornis vinden zich angstige cognitieve processen plaats, deze processen worden beschreven als een verhoogd zien van dreiging, maar ook een vermindering van de zelfingeschatte ‘coping’, of ook wel het vermogen om last te dragen. Uit literatuur over volwassene met sociale angst is gebleken dat zij negatieve zelf evaluaties verwachten en negatief over zichzelf denken. Onderzoek kan bijdragen aan het vergroten van het begrijpen van het mechanisme waarbij angst invloed heeft op de sociale competentie.
Het is interessant om na te gaan hoe een angststoornis invloed heeft op de sociale vaardigheden van kinderen. Een angststoornis neemt namelijk toe tijdens de vroege adolescentie, waardoor dit dus een belangrijke periode is om onderzoek naar te doen. Het is bewezen dat kinderen met een angststoornis minder sociaal competent zijn. Zij verschillen op diverse gebieden met kinderen die deze angststoornis niet hebben. Zo interpreteren zij een sociale situatie op een andere manier, hebben zij andere sociale verwachtingen en ook in de relaties met leeftijdsgenoten speelt deze angststoornis een rol. Er zijn onderzoeken gedaan naar de invloed van sociale angst, maar ook naar angststoornissen over het algemeen. Nu richt dit onderzoek zich op de vraag, wat de invloed is van angst op de sociale competentie van kinderen tussen de 7 en 16 jaar oud.
Uit een onderzoek naar de sociale verwachtingen en het zelfbeeld van kinderen met een angststoornis (Philip C. Kendall, 1997), blijkt dat kinderen met een angststoornis een zorgvuldige en gehele evaluatie verwachten. Zij zullen hier in de sociale interactie een bewijs voor zoeken en als resultaat hiervan zullen zij geneigd zijn de sociale interactie te vermijden.
Uit een studie van Dozier (1988) is gebleken dat afgewezen kinderen meer gereserveerde verwachtingen hebben over vriendelijkheid dan hun niet afgewezen leeftijdsgenoten. Vriendelijkheid werd in deze studie onderzocht d.m.v. gulheid in het delen van snoep. Afwijzing leidt tot het ondoordacht benaderen van onvriendelijke leeftijdsgenoten. Dit is parallel aan kinderen met een angststoornis. Kinderen met een angststoornis zullen hun leeftijdsgenoten ondoordacht vermijden, of die kinderen nou wel of niet kritisch tegenover hen staan. Dit vanwege hun algemene verwachting van een negatieve sociale evaluatie. Ook is gebleken uit onderzoek naar de interpretatie van een sociale situatie door adolescenten met een angststoornis (Anne C. Miers, Anke W. Blöte, Susan M. Bögels, P. Michiel Westenberg, 2008) dat adolescenten met sociale angst twijfelachtige situaties als een dreiging en negatief interpreteren. Uiteindelijk correleren deze negatieve interpretaties, onaangepaste coping strategieën van sociale angst met vermindering van relaties met leeftijdsgenoten (Stephen A. Erath, Kelly S. Flanagan, Karen L. Bierman, 2006). Met het oog op deze invloeden van angst op de sociale interacties, is te verwachten dat kinderen met een angststoornis minder sociaal competent zijn. Zo gaat dit onderzoek in op drie deelvragen. Ten eerste word de invloed van angst op de sociale verwachtingen van kinderen tussen de 7 en 16 jaar oud onderzocht. In het tweede deel wordt gekeken naar de invloed van angst op de acceptatie van en relatie met leeftijdsgenoten en tot slot word onderzocht of angst invloed heeft op de interpretatie van een sociale situatie. Uit deze drie deelvragen is uiteindelijk op te maken hoe de sociale interactie van kinderen met een angststoornis tussen de 7 en 16 jaar oud verloopt en hoe de angststoornis invloed heeft op de sociale competentie.
In het onderzoek van Philip C. Kendall (1997), wordt gekeken naar de invloed van angst op de sociale verwachtingen van kinderen tussen de 9 en 15 jaar oud. Zo worden 87 kinderen (45 jongens en 33 meisjes) onderzocht op basis van een ouder en leraar verslag en een observatie van de deelname aan het meespelen met onbekende leeftijdsgenoten. De kinderen met een angststoornis worden vergeleken met een controlegroep van kinderen zonder angststoornis. De verschillen tussen kinderen met en zonder angststoornis zijn gecategoriseerd in drie groepen, namelijk de verschillen in negatieve sociale cognitie, welke onderzocht zijn door middel van een manipulatie in een laboratorium, de verschillen van het sociaal functioneren, gebaseerd op verslagen van de kinderen zelf, de leraren en de ouders. En de verschillen in de verworven sociale competentie van de kinderen. De hypothese van dit onderzoek is, dat ouders en leraren de kinderen met een angststoornis zien als minder sociaal competent dan de controle groep. Verder zijn de verwachtingen van kinderen met een angststoornis in de deelname van het meespelen met onbekende leeftijdsgenoten onderzocht en is er gekeken naar de vraag of vriendschap bijdraagt aan de interne sociale percepties.
Uit een onderzoek in 1996 (Bell-Dolan) is gebleken dat kinderen met een angststoornis ontvankelijker zijn voor vijandigheid in dubbelzinnige situaties, een sociale evaluatieve bedreiging is echter niet synoniem aan vijandigheid. Ook bestaat het bewijs dat bij kinderen met een angststoornis sprake is van een cognitieve fout bij dreiging en een negatieve interpretatie.
Uit de resultaten van het onderzoek van Philip C. Kendall (1997), blijk dat negatieve sociale verwachtingen bij de kinderen met een angststoornis significant zijn in vergelijking met de controlegroep. In de productiviteit van de gedachtes zit echter geen significant verschil. De kinderen met een angststoornis beschikken over meer negatieve gedachten, maar verschillen in het aantal positieve en neutrale gedachten is niet significant. Verder zien kinderen met een angststoornis zichzelf als sociaal afwijkend, hebben zij een lager verworven sociale competentie en een hogere sociale angst. Ook hebben zij angst voor een negatieve sociale evaluatie. Deze angst voor een negatieve sociale evaluatie uit zich in het vermijden van een nieuwe situatie en, over het algemeen, vermijden van een sociale situatie. Uit het onderzoek is gebleken dat angst significant de voorspeller is van de sociale verwachting van een kind.
In een onderzoek van Stephan A. Erath, Kelly S. Flanagan en Karen L. Bierman, (2007) word gekeken de invloed van sociale angst bij jong adolescenten op hun relaties met leeftijdsgenoten, met sociale angst wordt de angst voor een negatieve evaluatie bedoeld. De kinderen die hebben deelgenomen aan dit onderzoek zijn 87 middelbare scholieren (47 meisjes en 37 jongens) met sociale angst. Deze studie heeft zich op verschillende factoren gericht m.b.t. sociale angst. Zo is gekeken naar het zelfbeeld van de kinderen, de perceptie van de leeftijdsgenoten, gegevens van leraren en directe observaties. Voorgaande analyses voorspellen een correlatie van sociale angst met vermindering van de acceptatie van leeftijdsgenoten en een toename van negatieve interactie met leeftijdsgenoten.
Uit de resultaten van dit onderzoek is op te maken dat sociale angst significant invloed heeft op de vermindering van de acceptatie van leeftijdsgenoten en een toename in de slachtofferrol voor kinderen met een sociale angststoornis. Dit is op te maken uit verslagen van de leeftijdsgenoten en de sociaal angstige kinderen. Ook is sociale angst significant te linken aan negatieve verwachtingen over het sociale optreden en een hoge mate van sociale terugtrekking. Volgens leraren kan de sociale terugtrekking verminderde vriendelijkheid en meewerking betekenen, wat een verklaring kan zijn voor een minder positieve reactie van leeftijdsgenoten tijdens de sociale interactie.
Het verschil tussen de interpretatie van een sociale situatie door een adolescent met een sociale angststoornis en een adolescent zonder deze stoornis verschilt. Dit blijkt uit onderzoek van Anne C. Miers, Anke W. Blöte, Susan M. Bögels en P. Michiel Westenberg, (2008). Met een interpretatie bias wordt de gevoeligheid om een sociale situatie op een negatieve of bedreigende manier te ervaren bedoeld. Deze interpretatie is in verband gebracht met sociale angst bij de volwassene populatie. Zo is duidelijk dat sociaal angstige een onbekende situatie op een negatieve of bedreigende manier interpreteren. Negatief denken tegenover een sociaal optreden kan aanpassing in het gedrag verstoren.
Dit onderzoek richt zich op adolescenten, dit is een belangrijke groep, aangezien het feit dat sociale angst lijkt toe te nemen in de adolescentie. 195 jongens met een gemiddelde leeftijd van 14,28 jaar en 161 meisjes met een gemiddelde leeftijd van 14,18 jaar worden onderzocht. Uit deze deelnemers worden twee sociaal angstige groepen geselecteerd, dit zijn de zeer angstige en de niet angstige die als controlegroep fungeren. Door middel van het invullen van een vragenlijst in het klaslokaal van de school, in het bijzijn van een leraar, wordt dit onderzoek verricht. Het invullen van de vragenlijst heeft vermoedelijk 50 minuten geduurd.
Uit de resultaten van dit onderzoek is op te maken dat de zeer angstige, wat betreft positieve interpretaties van een sociale situatie, niet significant verschillen met de controlegroep. Op het gebied van negatieve interpretaties is er wel een significant verschil tussen zeer angstige en niet angstige. Zo hebben zeer angstige vaker een negatieve interpretatie van een sociale situatie dan de controlegroep. Sociale angst is dus een voorspeller voor een negatieve interpretatie van een onbekende situatie, maar is geen voorspeller van een minder positieve interpretatie in vergelijking tot de controlegroep.
Naar aanleiding van het bestuderen van de literatuur is nu de conclusie te trekken dat angst invloed heeft op de sociale competentie van kinderen tussen de 7 en 16 jaar oud. Zo hebben kinderen met een angststoornis negatieve sociale verwachtingen dat als gevolg heeft dat zij sociale situaties het liefst vermijden. Ook is de relatie met leeftijdsgenoten niet optimaal en is er vaak geen sprake van acceptatie door de leeftijdsgenoten, maar eerder sprake van een slachtofferrol tegenover deze leeftijdsgenoten. Dit kan verklaard worden door de neiging van kinderen met een angststoornis om zich terug te trekken uit sociale situaties. Aangezien kinderen met sociale angst een onbekende sociale situatie eerder negatief en bedreigend interpreteren, functioneren zij niet zoals de controlegroep, de kinderen zonder sociale angst.
Angst heeft dus invloed op de sociale competentie. Het is echter opvallend dat hoewel angstige kinderen negatiever denken, zij, met betrekking tot het aantal positieve en neutrale gedachten, geen significant verschil laten zien met de controlegroep. Een punt van kritiek is wel dat het meeste onderzoek naar de invloed van angst, zich richt op de sociale angst. Ook de literatuur die voor dit onderzoek gebruikt is richt zich over het algemeen op sociale angst. Op het onderzoek van Philip C. Kendall, (1997) na. Sociale angst kan altijd als de voorspeller worden gezien van minder sociaal functioneren. Aangezien het woord ‘angst’ al een dreiging weergeeft, is het niet verwonderlijk dat deze kinderen een sociale situatie als dreigender interpreteren dan de niet sociaal angstige kinderen. Het zou dus interessant zijn meer onderzoek te verrichten naar de invloed van angststoornissen over het algemeen op de sociale vaardigheden. Ook is er kritiek te leveren op onderzoeken die zich richten op vragenlijsten, aangezien er sprake is van een momentopname en sommige kinderen zich bewust zijn van wat zij moeten invullen. De sociale wenselijkheid speelt hier een rol. Toch dragen ook deze onderzoeken bij aan het vergroten van het begrijpen van het mechanisme waarbij angst invloed heeft op de sociale competentie. Angst is één van de basisemoties, maar wanneer er sprake is van een angststoornis kan dit op sociaal gebied van grote invloed zijn.

Literatuurlijst

Gebruik gemaakt van diverse wetenschappelijke artikelen via UBVU:

• ‘Social Expectancies and Self-Perceptions in Anxiety-Disordered Children’, (Philip C. Kendall, 1997)
• ‘Social Anxiety and Peer Relations in Early Adolescence: Behavioral and Cognitive Factors’, (Stephan A. Erath, Kelly S. Flanagan en Karen L. Bierman, 2007)
• ‘Interpretation bias and social anxiety in adolescents’, (Anne C. Miers, Anke W. Blöte, Susan M. Bögels en P. Michiel Westenberg, 2008)

Gebruik gemaakt van internet:

http://www.omgaanmetangst.nl/