ode

terwijl de glazen puien stonden te sidderen
in voor hen onbekende constructies en de
ijle klanken van duizend bij tienduizend
koorknapen al hoger en droger de wolken

en harpen als verdroogde vlindervleugels
naar beneden deed dwarrelen op de hoof-
den van net zoveel keer mijn ego in welke
onnoembare tijden dan ook - ja toen

wie zal zich kennen in al het verder denken
van lianen en plantanen tot venijn en zwakte
gehuld in zwijgen - ja toen was alles

wit en vrede ontstegen aan de krankheid
van de geest zo het ooit was en moet
zijn geweest of nog worden zal

pieter c