Noodlottig

Sommigen denken dat ze gek is, anderen vinden haar geniaal, maar ik, ik hou gewoon van haar. Ik hou van de manier waarop zij schijt heeft aan alles, terwijl ik zo mijn manieren heb om van een mug een olifant te maken. Zij was dan ook degene die mij in die wereld introduceerde. Ze heeft me geleerd te vliegen maar ook de pijn als je weer valt om later nog hoger, nog vaker te willen.

Ik ontmoette haar op straat, zomaar, alsof het voorbedacht was. Ik liep langs en ze maakte een opmerking over de manier waarop ik liep. Ze gebruikte een woord waar ik de betekenis niet van wist, wat achteraf misschien wel beter was. Later kwam ik haar tegen in mijn straat. Ze bleek pas verhuisd te zijn en woonde slechts drie meter van mij vandaan. Dat was wanneer de vriendschap begon en misschien wel de oorzaak van mijn problemen.

Ik kijk om me heen, hoe ben ik hier terecht gekomen? Het begon zo mooi allemaal, ik dacht dat ik eindelijk ‘het leven’ had ontdekt maar nu ben ik haar kwijt en mezelf nog meer. Ik zal niet meer de eerste uit de familie zijn die gaat studeren, geen aaien over me bol meer van mijn vader als er visite is, “Ja, mijn jongen al in de 5e van het VWO en een mooie cijfers!” Maar het ergste is dat ik haar nooit meer zal zien. Hoe toevallig zij mijn leven in stapte zo snel was ze weer verdwenen. Het begon als een grap, we hadden het bedacht toen we stoned waren. Het was nooit onze bedoeling om… Maargoed, ik dwaal af. Laat ik bij het begin beginnen.

Dat het klikte tussen ons was een wonder, we waren zo verschillend. Ik was een brave jongen met een goed stel hersenen, vastbesloten ze te gebruiken. Terwijl zij zo ongeremd was. Alles had ze al eens gedaan en zo niet, dan zou ze het gaan doen, wie weet morgen of overmorgen.
“Het leven is zo verdomde kort, maak er wat van.”, was steevast haar excuus voor alles wat ze deed. Met haar rookte ik mijn eerste sigaret wat later al snel een jointje werd en wat alweer gauw overging op nog extremere, zelfs illegale drugs. Ik deed alles voor haar, zij was het duiveltje in mijn hoofd die de gekste dingen bedacht. Alleen was er nu geen engeltje aanwezig om hem te remmen. Ik ging om met randdebielen die ik voorheen als “kansloos”had bestempeld. Stuk voor stuk uitgekotst door de maatschappij. Het was warm die avond, we hadden ons op de parkeerplaats achter het winkelcentrum verzameld met een grote groep. De één nam kratten bier mee, de ander zorgde voor wiet en weer een ander had zin in iets sterkers. Zo brachten we de vrijdagavond door. We waren al goed van de wereld toen de dronken man langs liep. Hij schreeuwde iets als, “Stelletje schorem hangt maar buiten op straat!” Uiteraard kwam zij met het idee. We waren allemaal blut en de voorraad voor vanavond begon op te raken terwijl de nacht voor ons nog lang niet voorbij was. Ze zei dat ik het moest doen en haar iets weigeren zou ik nooit durven. Iemand gaf me het mes en ik liep de richting op waar de man de hoek om verdwenen was. Het plan was dat ik het mes alleen zou gebruiken om mee te dreigen zodat de man mij zijn portemonnee zou geven. De man waggelde voor me en bromde tegen zichzelf zoals dronken mannen doen. Ik zal je eerlijk zeggen dat het me op het moment niet zo veel uitmaakte, zoals niks je iets uitmaakt als er een gordijn van verdovende middelen tussen jou en de wereld zit. Maar als ik er nu aan terug denk krimp ik in elkaar, de schaamte, het schandaal. Ik naderde de man en met een ruk draaide hij zich om, toen hij het mes zag leek het of hij in een klap nuchter werd. Hij was niet van plan zich zo snel van zijn geld te ontdoen. Hij werd agressief en gaf me een klap waar ik van duizelde. “Geef alleen je geld, ik wil dit mes niet gebruiken!”, schreeuwde ik nog. Maar de man was een kop groter dan mij en leek me niet het type die zich door een puistige puber liet beroven. Het leek in slowmotion te gebeuren, de man gooide zich op me terwijl ik mijn handen ophief om me te beschermen. Mijn hand waar ik het mes in hield. Een krakend geluid toen het mes zich zijn lichaam drong, een gorgelende geluid dat zich uit zijn keel ontsnapte.

Ik schrik op van een tik tegen metaal. “Lunchtijd, stelletje zakken! Opstellen in de rij!” Terwijl ik de rij volg moet ik denken aan mijn zogenaamde vrienden. Het werd poging tot moord en niemand die het voor me opnam. Zelfs zij niet, ze heeft me een keer opgezocht maar daar is het bijgebleven. Via, via heb ik gehoord dat ze verhuist is. En ik, ik hou me koest en wacht mijn tijd af. Als ik vrij ben hoop ik terug naar school te kunnen en alsnog een toekomst op te bouwen. Voor zover dat mogelijk is met een strafblad als de mijne. Het leven is zo verdomde kort, maak er wat van…