Nonnen
Lente%20met%20mutsjerood.jpg

Onze eerste kind was pas geboren, een meisje, en we vetrokken voor een wandeling over het strand. Het was lente en de zon gloeide in de hemel. Het strand was verlaten. Verbazingwekkend kalm was de zee, als een oneindig glimmende lucht. Het firmament was wolkeloos en zonder bewegingen. Het was alsof we droomden, we wandelden tussen wentelingen van de tijd. We waren zo gelukkig dat er geen woorden waren die onze blijdschap konden omvatten. We glimlachten alleen maar en het zand was wit van licht en de hemel foutloos blauw en de wereld zinderde van vogels en vlinders en geuren. Over het strand kropen krabben met wieren aan hun poten, terwijl in het droge zand schelpen blonken, uitgebleekt door eeuwigheid.

Ik droeg onze perfecte dochter in mijn armen, en ze keek me aan, uur na uur. Een kind wat niet wilde slapen. Haar ogen dronken de wereld op. Ze droeg een wit satijnen jurkje met kantjes langs de rand en een zonnehoedje met lintjes en strikjes, en aan haar voetjes pronkten piepkleine roze schoentjes.

Plotseling doken er twee nonnen op aan de kust. Hun zwarte jurken fladderden achter hun aan als mantels van duivels. Ze zagen ons met het kind, bleven even staan overleggen, en stoven even later met zanderige stappen op ons af om de baby te bekijken. Toen ze ons genaderd waren zag ik hoe lelijk de vrouwen waren. Ze waren grof gebouwd en hun gezichten puilden als witte vruchten uit hun habijt. Hun wangen waren vlezig en steriel. Hun ogen onbewoond als kiezelstenen.

‘Wat een grappig jongetje,’ zei de dikste van de twee op een valse toon.

‘Hij lijkt op zijn vader, dat zie je zo,’ zei de ander met een stem als een slijpsteen, ‘God zegene hem.’

Onze dochter begon te huilen. De kinderloze vrouwen sloegen een kruis, grijnsden naar mij, en maakten zich uit de voeten. Ze sleepten de zon achter zich aan en het werd donker boven zee.