Neuroot op de Wadden 18
3500676450_82e411e83e.jpg
4108789212_d22fa1be45_o.jpg

Als kind ging ik vaak met mijn ouders en broertje op vakantie naar Ameland. Ik ben er sinds die tijd nooit meer geweest en er zal daar dus ondertussen wel het één en ander veranderd zijn. Dat is ook de reden dat ik er eigenlijk niet naar terug durf. Wat als dat bungalowparkje met de grond gelijk is gemaakt? Of dat uitkijkpunt? Of – het ergst van allemaal – die bunker! Mijn fascinatie voor bunkers of de resten daarvan komt ongetwijfeld voort uit die vakanties naar Ameland. Feitelijk kan ik me van die zomers niet zo heel veel meer herinneren, maar gek genoeg wél één bunker. Misschien omdat er foto’s zijn van mijn vader bij of in dat betonnen misbaksel. Ik ben objectief genoeg om te weten dat bunkers lelijk zijn en dit specifieke geval, een vierkante betonnen bak met vier smalle torens op de hoeken, leek op een dood dier dat op zijn rug lag met zijn poten in de lucht. Als ik het me goed herinner klom mijn vader destijds door één van die poten omhoog. Aan de binnenkant van de torens zaten van die roestige ijzeren traptreetjes. Het liefst zou ik juist díe bunker terug willen zien, om er op mijn beurt in te klimmen, maar de angst dat-ie er niet meer zal zijn weerhoudt me. Ter compensatie bezoek ik elke vakantie aan de kust alle bunkers die ik maar vinden kan. In Zeeland; op Texel, of – zoals nu – op Terschelling.

Veel soeps is het hier op het eiland niet. Alles is opgeblazen of met zand ondergewerkt, maar enkele resten zijn er nog wel te vinden. Vooral in het bos net achter West-Terschelling vinden we er toch een stel. Ik ben net bezig met het inspecteren van een ANWB-paddestoelvormig exemplaar zonder dak als ik mensen hoor naderen. Haastig probeer ik me uit de bunker te werken. Een volwassen vent die bunkertje speelt, dat houd ik liever voor mezelf. Maar ik ben niet snel genoeg en hang nog half uit de nauwe opening als er een man van mijn leeftijd met een fototoestel uit het bos tevoorschijn komt.
‘Gaaf hé, die bunkers!’ roept hij me enthousiast toe.
Kijk eens aan, er zijn er dus meer met deze afwijking.
Hij vertelt dat hij als kind met zijn ouders al naar Terschelling kwam. We zijn meteen de beste maatjes. Zoiets schept een band, al zat ik dertig jaar geleden een eiland verderop. Hij verhaalt enthousiast over massa’s bunkers die hier toen nog te vinden waren. Maar nu is bijna alles dichtgegooid, opgeruimd of vernietigd. We vergelijken onze ontdekkingen. Hij weet er duidelijk meer van dan ik. ‘Hier achter bijvoorbeeld,’ zegt hij driftig gebarend, ‘ligt er ergens één met een naam. Van die verweerde Duitse letters staan erop. Rosamunde, of Rosalie, ik weet het niet meer precies. Misschien is-ie trouwens ook wel verdwenen, hoor.’
Ik neem afscheid en loop met mijn vrouw verder. Onderweg bestudeer ik alle duintoppen. Wie weet komen we Rosamunde tegen. Ik spot een paar bunkers, maar allen zonder naam. Sommige herken ik van vorig jaar, maar ik heb het idee dat er nu méér gangen en kamers zandvrij en toegankelijk zijn dan toen. Bij één van de bunkers ontdekt Mieke – die al even enthousiast geworden is – zelfs een loopgraaf, die een meter of vijftien vanaf de bunker het bos in kringelt en eindigt bij twee ondiepe kuilen die elk uitzicht bieden over een duinvallei.
Zeker weten dat het hier een greppel uit de oorlogsjaren betreft is onmogelijk, maar zowel de loopgraaf als de plek lijkt authentiek. Ondanks mijn enthousiasme over Mieke’s vondst vind ik het toch jammer dat we er niet in slagen Rosamunde te lokaliseren. Het gevoel dat mijn missie maar ten dele geslaagd is overheerst.

Na dit magere begin besluit ik het professioneler aan te pakken. Misschien dat ze me bij de VVV iets wijzer kunnen maken. Maar nee, volgens één van de medewerksters is er van de bunkers op het eiland niets meer over. Dat spreek ik tegen. Ik heb ze nét nog gezien. Ze heeft wel een punt als ze zegt dat er geen bunkers in complete staat zijn, om te bezichtigen. Mieke – inmiddels bevorderd tot gediplomeerd bunkerkenner – werpt op dat het misschien een leuk idee is een bunker route uit te zetten, met zo’n feestelijk gidsje erbij. De VVV-fee ziet er niets in. Het zou te gevoelig liggen voor de mensen die de oorlog meegemaakt hebben.
We zijn dus wel zo’n beetje uitgepraat. Ik bedank haar vriendelijk en Mieke en ik lopen naar buiten.
‘Wat een onzin,’ zegt Mieke, ‘mensen die de oorlog meegemaakt hebben. Hoeveel zijn dat er nog?’
‘Ja,’ doe ik een duit in het zakje, ‘da’s verdorie meer dan 65 jaar geleden…
Zonde, zou hartstikke leuk zijn, zo’n bunkerroute’

Later op de dag lees ik toevallig dat het VVV meisje het toch niet zo fout had. Voor ons mensen van de vaste wal lijkt de oorlog misschien allemaal ouwe koek. Lang geleden, zand erover, bó-ring! Op Terschelling ligt dat anders. Het eiland werd pas véél later bevrijdt dan de rest van Nederland. Toen het hele land allang bevrijdt was, moffenhoeren kaal stond te scheren en NSB-ers nazat, zuchtten de Terschellingers nog immer onder de bezetting. Pas op 26 mei 1945 werden ze ontzet.
Dat moeten drie zenuwslopend lange weken zijn geweest!
Nee, die van de VVV hebben groot gelijk, je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met dit soort verse wonden….