Neuroot op de Wadden 03
3500676450_82e411e83e.jpg
3499854173_c958026ea0.jpg

De veerboot van Harlingen Haven naar Terschelling.
Vlak nadat we aan boord zijn wordt duidelijk dat ik een ernstige fout gemaakt heb. Vorig jaar hadden we mooi weer tijdens de overtochten en zaten we de hele reis op de boot in de zon. Nu is het grijs & nat en dus schuilen we ín de boot. Maar de vaart duurt 2 uur en al mijn boeken zitten in de bagage die bij de fietsen is achtergebleven! Als ik een boek wil gaan halen blijkt dat het autodek (waar ook de fietsen staan) tijdens de vaart afgesloten is.
Help!
Twee uur op een troosteloze schuit zonder leesvoer.
Na een kop tomatensoep houd ik het binnen niet meer uit. Dan maar de regen in.
De frisse lucht is er wel érg fris. Het bovendek is veel te koud & winderig om het er langer dan vijf minuten vol te houden. Ook stuurboord biedt weinig bescherming tegen de elementen. Bakboord is zomogelijk nog onherbergzamer.
Het achterschip. Dat is gedeeltelijk overdekt en je staat er uit de wind. Nee, achterschip is zo gek nog niet. Als we op het achterdek staan blijkt dat Blaise Pascal het destijds bij het rechte eind had. Hij beweerde dat alle ellende in de wereld voortkomt uit het feit dat de mens altijd ergens anders wil zijn dan waar hij is. Al onze medepassagiers kennen Blaise Pascal op hun duimpje: Staat er een passagier links, dan duurt het niet lang of hij wil naar rechts. Wie boven is wil naar beneden; wie binnen is naar buiten. En omgekeerd. En weer terug. Alle passagiers doen mee, op een paar na, en juist díe houden de enige twee bankjes op het achterdek bezet.

Er valt genoeg te zien om de tijd te doden.
Behalve naar de zee, de golven en de passerende boten kijk ik naar de rusteloze mensenmassa die onder onze ogen voorbijtrekt. Vol bewondering aanschouw ik een jonge moeder die 4 kleine kinderen naar een lager gelegen dek coacht. Traplopende ukkies vind ik sowieso doodeng, maar hier, op een halve meter afstand van een kolkende zee en met van die kletsnatte, spekgladde traptreden is het ronduit angstaanjagend. De moeder blijft opmerkelijk koel terwijl haar kroost een wisse dood tegemoet klautert. Zou ze zo onverstoorbaar zijn, of heeft ze zoveel kinderen dat ze het niet erg vindt er eentje te moeten missen?

Erg warm is het niet op het achterdek, maar het is er vol te houden, te meer daar we inmiddels een bankje veroverd hebben. Ik adem diep de zeelucht in. Wat ruik ik toch?
Ah, ik zie het al. Niet alleen Blaise Pascal is debet aan de reislust van onze medepassagiers. Minister Klink heeft ook een vinger in de pap. Dankzij hem mag er ín de boot niet meer gerookt worden. En aangezien op alle andere plekken op de boot de sigaretten je gewoonweg uit de mond waaien zoeken alle nicotineverslaafden hun heil op het min of meer beschutte achterdek. Smokers aller landen verenigt u. Jaag er de brand in!
In plaats van frisse zeewind inhaleren we tweedehans tabakslucht. Waarom gingen we ook weer naar buiten? Toch niet voor de frisse lucht, want dan doen we iets helemaal verkeerd.
Als we op den duur de tabakslucht zat zijn en echte frisse lucht willen zit er niets anders op dan te verkassen naar het tochtige bovendek. Daar staan we een poosje, de handen stevig vast aan de reling om niet in zee te waaien.
We zijn net échte zeebonken.
Die zijn niet bang voor een beetje regen.
En die – dat weet een kind – roken pijp.
En géén sigaretten…