Neuroot in de Woestijn 01
3209954536_25a0beb1a5.jpg
3247474578_752dd381e6.jpg

Egypte…
Welk beeld had ik daarbij toen we deze reis gingen boeken?
Zon, zand, mummies, piramides, tempels… Dat was ’t wel zo’n beetje. Oja, en stof, véél stof.
Dat beeld klopt natuurlijk, maar Egypte is méér dan dat. Een bezoeker slaat feitelijk twee vliegen in één klap, want je bezoekt niet één land, maar twee landen tegelijk. Het oude Egypte met z’n ruïnes, musea en bezienswaardigheden én het nieuwe, hedendaagse Islamitische Egypte.
Mijn reisdoel is het oude Egypte, bij het bestaan van dat andere Egypte heb ik eigenlijk niet zo stil gestaan. Bijzonder naïef van mij, ik weet ‘t. Dat komt ervan als je meer verstand hebt van de maatschappij van pakweg 4000 jaar geleden dan van die in je eigen tijd. Ik zit te veel met m’n neus in de boeken. Wat had ik dan verwacht? Dat er een rijtje farao’s en priesters op het vliegveld klaarstonden om me op te vangen?
Caïro Airport is gewoon een modern vliegveld, waar dagelijks duizenden mensen aankomen en vertrekken. Meest toeristen, die voor hetzelfde komen als ik. Stukjes van het oude Egypte zoeken temidden van het nieuwe Egypte. En dat nieuwe Egypte laat zich – hoe graag ik het ook zou willen – niet gemakkelijk negeren.
In een busje worden we van het vliegveld naar ons hotel gereden. Het is rond twee uur ’s nachts en ik verbaas me enigszins over de drukte op straat. Nou ja, Caïro is een miljoenenstad natuurlijk, 18 miljoen inwoners, als ik het wel heb, dus daar zullen er om twee uur ’s nachts nog wel een paar van onderweg zijn…
Deze rit stelt in retrospect geen moer voor. Pas de volgende dag zal Caïro me z’n ware gezicht tonen.
Angstaanjagend!

Na een onrustige nacht stappen we nog wat onwennig rond een uur of negen in een gereedstaand busje voor onze eerste excursie op Egyptische bodem, het Egyptisch Museum. Zodra ons busje de smalle straat waaraan het hotel gelegen is uit rijdt begint een dolle rit. Het lijkt wel geen van de verkeersdeelnemers zich bewust is van de andere weggebruikers. Op een stuk weg waar in de breedte vier auto’s en een brommer naast elkaar geparkeerd zouden kúnnen staan, ríjden hier vier auto’s en een brommer naast elkaar. Minstens! Ordentelijke rijen worden er niet gevormd, iedereen crosst maar zo’n beetje door elkaar. Zodra er een plekje in één van de andere ‘rijen’ vrijkomt proberen alle voertuigen die zich in de onmiddellijke nabijheid bevinden de plaats in te pikken. Wie nét te laat is (en dat zijn er elke keer nogal wat) gaat uitgebreid op zijn toeter hangen om zijn ongenoegen te uiten. Om het allemaal nóg chaotischer te maken rijden er niet alleen automobielen, busjes, motoren en brommers op de grote wegen, ook fietsers en ezelkarretjes storten zich zonder bedenkingen tussen al dat blik. Voeg daar dan nog de lukraak overstekende voetgangers aan toe, die zich met ware doodsverachting voor zoveel mogelijk auto’s tegelijk lijken te willen werpen en je hebt een redelijk beeld.
Het is waanzin!
Het verkeer kan van alle klanten komen, van links, van rechts, van achteren, zelfs van voren, want Egyptenaren deinzen er niet voor terug om op een razend drukke weg even een stukje achteruit te rijden als ze hun afslag gemist hebben. Ik heb wel eens in Brussel gereden, en dat vond ik al een gekkenhuis, maar dat is helemaal niets vergeleken bij deze wanorde.
Ik begin te begrijpen waarom de inwoners van deze stad Caïroten genoemd worden…
Je zou verwachten dat zulk – in onze ogen onverantwoord – rijgedrag enorme hoeveelheden ongelukken tot gevolg moet hebben, maar dat valt zo te zien enorm mee. Het tempo ligt gemiddeld niet erg hoog, misschien behoedt dat de Egyptenaren voor ernstiger leed? Alle auto’s rijden hier bumper aan bumper en je ziet vrijwel geen voertuigen zonder deuken, maar ambulances heb ik tot nog toe niet gezien. Het kan natuurlijk ook zijn dat die er gewoon niet doorkomen …

Ons busje slingert van links naar rechts over de weg en remt om de haverklap op onverantwoorde wijze. ‘Misschien zouden strepen op de weg hier een uitkomst zijn?’ denk ik hardop. Mieke wijst. Op sommige stukken stáán er strepen op het wegdek. Niemand trekt zich er wat van aan. Ook de politieagenten of de soldaten die door de hele stad verspreid langs de straten staan vinden het ogenschijnlijk allemaal heel normaal.
Ondanks de waanzinnige chaos houden alle chauffeurs hier het hoofd redelijk koel. Ik zie niemand witheet achter het stuurwiel zitten. Toch zie ik in één minuut hier genoeg onverantwoord rijgedrag voor minstens tien opgestoken middelvingers in Nederland. Ze zijn het schijnbaar gewend. Ze toeteren als gekken, dat wel. Het toeteren is overigens volstrekt zinloos. Het maakt geen enkele indruk. Op niemand. Ja, op ons… Maar zelfs wij raken er vlot aan gewend. Ik schat nog twee dagen en ik hóór ’t geeneens meer.

Ik begin me zorgen te maken of we dat Caïro Museum wel zullen halen. Zal onze eerste excursie ook meteen onze laatste worden? Het heeft er veel van weg…
Maar nee, we komen er heelhuids aan. Opgelucht stap ik uit. Even overweeg ik uit pure dankbaarheid de grond te kussen. Ik zie er vanaf. Te stoffig…
Onze gids waarschuwt ons voor we het museum betreden: Ga niet proberen álles in het museum te bekijken. Het museum staat propvol. Er zijn méér dan 120.000 bezienswaardigheden te zien, en dan schijnt er in de kelders nog minstens zo’n hoeveelheid opgeborgen te zijn. Sommige stukken zijn nog niet eens geclassificeerd. Er liggen onder het museum tientallen kratten vol nog onbekende oudheden, half weggezakt in de zandbodem van de kelders. Het is dus niet ondenkbaar dat er binnenkort archeologen in het museum zélf opgravingen gaan verrichten!
Onze gids weet waar hij het over heeft: De collectie is overweldigend. Het lijkt eerder een pakhuis dan een modern museum. In lange rijen staan er massa’s beelden naast elkaar. Grofweg gesorteerd op periode, maar daar is alles mee gezegd. Het is allemaal te veel. Bovendien staat er ook nergens enige toelichting bij. Je moet het zelf maar zo’n beetje uitzoeken. Veel meer dan er langs lopen en de boel aangapen zit er niet op. Onze gids zal ons de hoogtepunten laten zien en er wat over vertellen, daarna hebben we een uurtje om zelf nog wat rond te neuzen.
Na de rondleiding loop ik als een kip zonder kop in het enorme museum rond te dwalen. Wáár moet je beginnen?
Bij Toet! Op de bovenverdieping staan de spulletjes die Howard Carter uit Toetanchamon z’n graf heeft gehaald. Toetanchamon was een farao’tje van niets, maar toch is hij de beroemdste Egypytische koning. Zijn graf is het enige dat ongeschonden is gevonden met alle grafschatten er nog in. Dankzij Carters vondst trekt Egypte dagelijks honderdduizenden bezoekers. Toetanchamon is de brug tussen het oude en het nieuwe Egypte. Iedereen komt voor Toetanchamon. Of voor King Tut, zoals hij liefkozend genoemd wordt, door zowel toeristen als Egyptenaren.
In de zaal met de mooiste schatten van Toetanchamon is het een drukte van belang. En dat is terecht, want de schatten zijn wonderbaarlijk. Vooral het wereldberoemde dodenmasker beneemt je de adem. Ik trek Mieke mee. Ik heb ‘t wel gezien. Prachtig, maar te druk.
Hoewel je d’r extra voor moet betalen bezoek ik daarna de Royal Mummy Room. Hier liggen de stoffelijke resten van een aantal van de beroemdste farao’s van Egypte. Het blijft een ongemakkelijk idee, dode mensen bekijken, maar het is indrukwekkend. Dankzij het gedempte licht en de stilte is dit één van de mooiste plekjes van het museum. Ik sta een tijdje te kijken naar de mummie van de werkelijk grootste koning van Egypte, Ramses II. Hij is op een verontrustende manier prachtig. 3000 jaar geleden is deze machtige koning heengegaan en zijn gezicht is nog helemaal in tact en vol uitdrukking. Veel mummies hebben van die doorsnee koppen maar Ramses’ karakter is nog steeds van zijn gezicht af te lezen. Zijn leeftijd heeft ‘m milder gemaakt dan z’n reputatie doet vermoeden.
Ik ruk me met moeite los van Ramses en loop lukraak nog wat door de gangen van het museum.
Toevallig stuit ik onderweg op een zaal met beelden van de ketter-koning Achnaton. Achnaton hervormde de Egyptische religie. Hij was de eerste monotheïst, knikkerde alle goden eruit en behield er slechts één: Aten, de zonneschijf. Daar bleef het niet bij. Ook de traditionele Egyptische kunst moest eraan geloven. Bijna alle farao-beelden lijken erg op elkaar, en zijn vaak enkel van elkaar te onderscheiden door de koningsnamen in de cartouches, maar Achnaton brak met die traditie. Achnaton wordt afgebeeld met een buikje, met een bijzonder lang gezicht, dunne lippen, lelijk eigenlijk. En dat in een cultuur die de farao juist een goddelijke status toekende. Zijn beeltenissen zijn vreemd, vervormd.
Soms bijna vrouwelijk, dan weer, tja… buitenaards?
Dat heeft hem indertijd ongetwijfeld veel vijanden opgeleverd.
Nieuwlichters hebben het altijd moeilijk, zeker in de kunst.
Toen Achnaton overleed keerde Egypte terug naar de oude waarden. Onder de heerschappij van Achnaton’s zoon Toetanchamon (die aanvankelijk Toetanchaton heette) werden alle hervormingen ongedaan gemaakt en werd de nagedachtenis aan de vreemde koning Achnaton zoveel mogelijk uitgewist.
Blij dat ik dit nog even gezien heb!
Nou, ik stop er maar eens mee.
Dit is pure overkill
Ik moet ook niet te veel willen.

Met een gevoel van lichte ergernis sta ik weer buiten. Natuurlijk heb ik mooie dingen gezien, maar naar verhouding veel te weinig. En wát heb ik eigenlijk gezien? Dat is me ook niet in alle gevallen duidelijk geworden.
Nou ja, de vakantie is nog maar net begonnen. Er komt nog een boel moois en het is in ieder geval lekker weer!
Ik loop naar het hek.
Nee hè… Daar heb je dat ellendige getoeter ook weer!
Ineens zie ik het verband.
Het is niet zo vreemd dat die Egyptenaren de godganse dag met hun toeter zitten te spelen.
Wat wil je als je grootste farao Koning Toet heet…

3247474580_16463bea04.jpg