Monteur, sonnet

Om ‘s morgens vroeg te wachten op een monteur
Die beloofd heeft klokslag acht te arriveren
Daarvan kan men minimaal een levenslesje leren:
Vertrouw nooit en te nimmer een reparateur

Nu zit ik hier te vroeg, de hemel heeft nog zelfs geen kleur
Ik kan mij tegen zoveel dingen in die staat niet weren
Mijn vrouw klaagt zwaar en dat begint mij te bezeren
Want zij is werkelijk een onverbeterlijke zeur

Een door God geschapen klaagzang van vlees en bloed
En feitelijk houd ik die monteur verantwoordelijk
Dat hij haar negatieve inborst met zijn ontrouw voedt

Dan gaat de bel, ik schreeuw, "daar is die hufter eindelijk!"
Maar het doet mijn vrouwtje even later zichtbaar meer dan goed
Dat hij heel knap is en haar vriendelijk lachend met een knipoog groet.

Sonnet: Andreas Blender