Machine

De vrouw, haar lichaam is aan banden
Gelegd in een woestijn. Haar borst is open
Gebroken. Aan de binnenzijde loopt een ketting
Zij is een machine van metaal en huid
Een onberoerde bruid, tot aan de keel
Gevuld met hout. Haar ogen zien
Argwanend naar de schilder

En achter haar een hemel vol witte
Schaduwen. Ze staat in een bruingeel land
Gevuld met barsten. In de verte ruist de oceaan
Die in haar dromen stolt. In gedachten
Hoor ik haar zwijgen. Een snor
Boven haar ogen fronst
Waar een spijker in geslagen
Die uit haar vreemde robe
De mieren op haar buik
Kruipen in en uit.

Andreas Blender