Luxuria

Het moment was voorbij en hij keek naar de ravage om zich heen. In een klap leek hij zijn volle verstand terug te krijgen, hij duizelde ervan. Zijn ogen gleden langs de bloedspatten op de muur terwijl zijn lichaam hevig protesteerde, het zweet gutste uit zijn lijf en hij trilde als een espenblad. “Wat heb ik gedaan?”, fluisterde hij hardop, zijn lippen zo bleek als zijn huid alsof er geen druppeltje bloed doorheen stroomde. “Waarom heb je me dit laten doen? Ik hou.. hield van je godverdomme.” De wanhoop veranderde al snel in haat om plotseling in angst over te slaan, want wat moest hij met het lichaam doen? Hij zou zijn leven niet vergooien over een hoer die haar benen niet bij elkaar kon houden. Hij moest nu logisch nadenken en snel handelen voor het te laat is…

Hij hoorde de deur dichtvallen en keek op de klok, kwart over twaalf. Hij had zich verstopt in het donker. Haar hakken tikten op de marmeren vloer en hij hoorde aan de manier waarop ze liep dat ze gedronken had. “Het was zeker gezellig?”, vroeg hij hard toen ze de kamer binnen stapte, ze schrok ervan en deinsde naar achter. “Oh.. Ja, het werd een beetje later.” , antwoordde ze afwijkend. “Als je de volgende keer maar even belt schat, ik was ongerust en je telefoon stond uit.” Natuurlijk stond je telefoon uit, dacht hij bitter, je wilde niet gestoord worden tijdens je nachtelijke avontuurtjes met breed buikige vrachtwagenchauffeurs en negers met geslachtsdelen waar een mannetje als ik ‘u’ tegen zou zeggen. Ondertussen toverde hij zijn schijnheiligste glimlach tevoorschijn. “ja sorry, ik was de tijd helemaal vergeten, de avond ging ook zo snel voorbij. God, ik ben moe, ik duik me bed in.” Ze keek hem schuchter aan en haastte zich de kamer uit. Hij wreef over zijn slapen en kwelde zijn geest met beelden van zijn vrouw met andere mannen. Ze deed dingen met hen in zijn gedachtes die ze nog nooit met hem heeft gedaan en die ze waarschijnlijk ook nooit zullen doen. Hij was gehandicapt, een buik op latere leeftijd kon hij accepteren, zijn grijze haren nam hij voor lief maar zijn geslachtsdeel die zijn belangrijkste functie verloren had deed hem ineenkrimpen van schaamte. Ze had er nooit wat over gezegd en hij was er nooit meer over begonnen, hij kon het niet. Na de derde vernedering is hij nooit meer op haar avances ingegaan. Het vrat hem op van binnen, zoog de levenskracht uit de allerdaagse dingen, zo werd hij jaloerser, ze zal toch ergens aan haar trekken moeten komen, sacherijnig en voelde hij zich minder ‘man’. Hij hoorde de klok slaan, een uur alweer, en besloot naar bed te gaan.

Ze stapte de douche uit en slaperig keek hij haar aan. Ze was mooi. Met de jaren werd hij alleen maar lelijker en dikker terwijl zij alleen maar mooier leek te worden. Haar rode haren hingen in slierten om haar zachte gezicht met hoge jukbeenderen. De kraaienpootjes bij haar felgroene ogen, de ogen van een jong meisje, dacht hij. “Wat zit je te kijken? “Vroeg ze uitdagend terwijl ze haar badjas van haar lichaam liet glijden. “Je bent mooi.”, antwoordde hij terwijl hij wegkeek. “Maar ik moet haasten want ik kom te laat.”, zei hij schuchter terwijl hij uit bed stapte en naar de badkamer liep, hij kon nog net de teleurstelling op haar gezicht zien. Hij kleedde zich uit en vervloekte voor de zoveelste keer de ouderdom en zijn ‘handicap’.

Met moeite kreeg hij het lichaam in zijn achterbak. Hij mocht niet opvallen, stel dat iemand hem zou zien. Hij zou zijn verdere leven in de gevangenis moeten doorbrengen tussen het uitschot van de maatschappij, hij zou zijn hoge functie verliezen en nooit meer aan een fatsoenlijke baan komen. Hij had haar niet willen vermoorden, straffen hooguit, voor de manier waarop ze hem heeft behandeld. Al die avonden dat ze zogenaamd met vriendinnen op stap ging. Hij besloot haar in de rivier te dumpen en het op een ongeluk te laten lijken. Zijn gedachtes dwaalden af naar de dag waarop hij erachter kwam. Hij vermoedde het al een lange tijd. Maar hoe en wanneer en met wie, waren vragen die hij niet kon beantwoorden. Het was vernederend, het vernederendste wat hij ooit had meegemaakt.

Hij was eerder thuis gekomen van zijn werk, hij was moe en snel geïrriteerd dus hij besloot thuis rustig verder te werken. Toen hij het huis binnen stapte wist hij dat er iets mis was. Zijn vrouw was thuis, haar jas hing aan de kapstok. Net toen hij wilde roepen dat hij thuis was vielen zijn ogen op de bergschoenen en de zwarte lange jas in de hal. Hij stapte op zijn tenen de huiskamer binnen, op de tafel stond een aangebroken fles wijn en twee glazen, nog half vol. Hij balde zijn handen tot vuisten. Het bloed suisde in zijn oren, hij had zichzelf deze vernedering moeten besparen. Maar hij moest het zeker weten, hij sloop op zijn tenen de trap op, richting de slaapkamer. Op de overloop hoorde hij zacht fluisteren, gegiechel en kleine zuchtjes. Hij herkende de kleine zuchtjes van zijn vrouw, de kleine zuchtjes die alleen voor hem bedoelt waren, haar ondeugende gegiechel, als dat van een klein meisje. Wanneer was de laatste keer dat hij haar heeft horen lachen? Hij voelde hoe de moedeloosheid zich meester maakte van zijn lichaam. Op slappe benen schoof hij voorzichtig naar de slaapkamerdeur. Hij loerde om het hoekje en daar lag zijn vrouw met een of andere puber van hoogstens twintig in hun bed. Hij lag op haar en ze kreunde overdreven, had ze ooit zo bij hem gekreund? Hun bed, waar hij vannacht gewoon weer in zou moeten slapen met haar naast zich. Hoe kon ze? Hij voelde hoe de drift op zijn aderen drukte, hij moest iets doen, het voelde of ze zouden knappen. Hij rende de trap af, de hal door, naar de keuken. Hij pakte het grootste mes wat hij vinden kon en in gedachten stak hij het mes eerst in haar rug, het geluid van haar krakende ribben, maar het ging soepeler dan hij had kunnen denken. Daarna zou hij zijn keel doorsnijden, heel langzaam, en hij zal hem zien doodbloeden terwijl hij rustig op de oude fauteuil een sigaretje zat te roken. Het matras zou het bloed opnemen, het bloed van twee zondaren. Hoe lang zou hij al in een bed vol zonden hebben geslapen? Het mes schoot uit zijn handen en hij liet zich op zijn knieën vallen. Hij moest weg hier, zijn hoofd voelde of het zou ontploffen. Hij rende de deur uit en stapte zijn auto in, met het beeld op zijn netvlies van zijn vrouw kermend van genot met een jonge man tussen haar benen, vast net twintig en op zijn hoogtepunt wat betreft zijn fysieke conditie. Hij besloot zich te bezatten, zijn verdriet, drift en schaamte weg te drinken, in de eerste de beste zielige kroeg.

Na middernacht kwam hij thuis, dronken. Vol zelfmedelijden stak hij de sleutel in het slot en wankelde hij zijn huis binnen. Hij zag dat het licht in de huiskamer nog steeds brandde. Zijn vrouw zat op de bank en huilde. Ze keek hem aan met rode ogen en strepen mascara op haar wangen. “Je hebt gedronken.”, fluisterde ze zacht. Hij haalde zijn neus op en mompelde iets. “Was je thuis gekomen vanmiddag?” Ze vroeg het zacht, angstig en schuldbewust. Hij voelde de drank in zijn hoofd suizen en tranen sprongen in zijn ogen. “Vuile hoer! Pedofiel, je laten nemen door jongetjes, de helft van jou leeftijd, in mijn eigen huis, in ons bed godverdomme!” Hij hoorde zijn stem overslaan van wanhoop en verdriet. Ze barstte opnieuw in snikken uit. “Ik, ik had het je willen vertellen. Het, het spijt me zo.”, vervolgde ze snikkend. Maar het was te laat, het was gebeurd, dacht hij. Hij zou niet meer van haar kunnen houden, hij zou haar niet meer kunnen aanraken. Hij gaf haar een harde klap in haar gezicht en haar ogen sperden zich wijd open van verbazing, van schrik stopte ze abrupt met huilen. “Hoer.”, zei hij zachtjes en hij spuugde in haar gezicht. De dikke, groene klodder liep langs haar wang naar beneden terwijl restjes in haar wimpers bleven hangen. “Ik ben geen hoer!” Ze schreeuwde het, rode vlekken verschenen in haar hals. Ze lachte schamper en wees naar zijn kruis. “Alsof jij mij nog kan bevredigen. Alsof je me ooit heb kunnen bevredigen! Ik ga bij je weg, ik ben niet gelukkig.” Ze liet haar hoofd hangen. Deze opmerking werd hem teveel, dertig jaar vertrouwen, liefde, gemeenschap, hun hele huwelijk kapot. De drank en de drift, ze overmeesterden hem. Voor hij het wist had hij haar hoofd aan haar haren vast en bonkte hij keer op keer, haar mooie hoofdje tegen de muur. En nog een keer, en nog een keer, haar rode haren nu doordrenkt met bloed. Een geur van ijzer in zijn neusgaten en een bittere smaak van drank in zijn mond. Na een tijdje liet hij haar hoofd los, haar lichaam viel slap op de grond en hij barstte in een kinderlijk gejank uit.

Hij was bij de rivier aangekomen. Het zou lijken of ze haar hoofd had gestoten en zo de rivier was ingerold. Hij boog zich over haar heen. In het schijnsel van de maan zag hij haar gezicht. Hij kuste haar voorhoofd en hij liet haar lichaam het water in glijden, het zakte langzaam naar de bodem, de vergetelheid in. Luxuria, het woord schoot hem te binnen, hij had het geleerd in een ver verleden. “Luxuria”, hij lachte hysterisch terwijl zijn tranen het bloed van zijn wangen wasten. “Luxuria, ik zie je in de hel”, hij mompelde het naar het zwart van het water, wat er vredig bijlag, alsof er niets gebeurt was..