Lizzie's Verhaal 72

Piet zag mij ook.
‘Hoi Lizzie!’
‘Hoi Piet,’ wrong ik eruit. Ik keek naar hem alsof hij een wereldwonder was. Dat hij Hoi Lizzie had gezegd was een wonder. Wat moest hij nog met me? Hij had toch een vriendin!
‘Alles goed?’ vroeg hij.
‘Ja hoor,’ zei ik. ‘Alles is goed.’ Ik kreeg het er gewoon uit. Er lag geen speciale klank in mijn stem.
‘Mooi,’ zei hij tevreden.
We fietsten honderd meter samen op. We waren weer net een echtpaar op weg door de stad. Maar dan wel een een echtpaar dat niks tegen elkaar zei. Na honderd meter stak Piet zijn arm uit. ‘Ik moet hier af, Lizzie. Tot ziens maar weer hè?’
‘Ja Piet, tot ziens.’
Toen hij in de zijstraat verdween ging ik dus een beetje dood. Wat een enorme klotetrut was ik nou! Wat een vreselijke imbeciel! Een levensgrote oen! Piet ik ben verliefd op je, maar je hebt een ander! had ik moeten schreeuwen. Maar ik had niks gedaan. Dat holle gevoel in me had me lamgelegd. Waar was ik mee bezig? Waarom vroeg ik niet: Hoe gaat het met je? Ik zag je laatst met je nieuwe vriendin. Wat zou hij gezegd hebben: Dat gaat jou niet aan? Of: Wel goed, dank je. Maar ik had helemaal niets gezegd!!! Als een gefrustreerde kip fietste ik naar huis; dwars door rood licht, baldadig voor auto’s alsof ik aangereden wilde worden, zonder mijn hand uit te steken als ik af moest, zonder bellen als dat dringend nodig was, scheldend naar andere weggebruikers om niets. Thuis ramde ik mijn fiets in de schuur en stormde naar boven. Ik was kwaad, woedend, giftig, woest, op mezelf. Omdat ik geen bek opendeed. Maar wat had ik dan in vredesnaam tegen Piet moeten zeggen?

Wordt vervolgd

Cor Snijders