Lizzie's Verhaal 67

We zaten naast elkaar op de tweezits. Een tot op de draad versleten meubel waarin je de harde veren voelde, maar dat er aan de buitenkant nog zo modern had uitgezien.
‘Je bent gewoon niets,’ zei Lies toonloos.
Ze keek me triest aan, haar ogen kleurden al aardig blauw en paars. Haar schouders hingen omlaag, haar handen wriemelden rusteloos in haar schoot. ‘Ze lachen je uit. Jij wilt een woning? Wat is je inkomen? Hoe denk je dat te redden?’
Ze had gelijk. Zo was het met mij ook begonnen. Ik had geluk gehad. Ik had Jordan. Ik moest voor iemand zorgen.
‘En toen kwam ik een van de jongens tegen die ik wel eens zag in het slaaphuis. Hij vertelde me over Hermans. Ik kon hem vinden in een café in het centrum. Nou, ik had gelijk een flat, maar ik moest ook gelijk geld neerleggen. Het was alles wat ik had.’
‘Waarom heb je dat in godsnaam niet gezegd?’
‘Jij had er geen genoegen mee genomen. En ik dacht, volgende maand heb ik wat anders. Maar wat ik ook deed, ik liep tegen een muur op. Ik stond helemaal onderaan een of andere lijst.’
Ik wist dat ze gelijk had. Zo ging dat. Je telde niet mee. Wat telde waren punten. Als je een kind had, had je een hoop punten. Als je ziek, zwak of misselijk was en dat werd door de dokter beaamd, had je nog meer punten.
‘Die volgende maand had ik dank zij jou meer geld en liet ik dat overmaken op zijn rekening.
‘Had het maar gezegd,’ zei ik.
Ze haalde de schouders op. ‘En toen versliep ik me op een morgen, kreeg vreselijke ruzie met die kerel van de folders en toen hoefde ik niet meer terug te komen.’
Ik zag het in gedachten gebeuren. Een vrouw alleen die zich de pokke werkte in regen en kou en zich versliep. ‘En toen?’
‘Met jouw bijdrage kon ik de huur betalen en had ik te eten als ik heel zuinig deed.’
‘En daar ben je aan gewend geraakt,’ stelde ik vast.
Ze keek me schuldbewust aan. ‘En nou is het zeker afgelopen?’

Wordt vervolgd

Cor Snijders