Lizzie's Verhaal 66

Lies begon te janken. Ditmaal echt. Dat hoorde ik. Het is heel vreemd, maar soms kan een mens uit bijna onhoorbare verschillen uitmaken of iets echt is of niet.
Mijn onbevooroordeelde zoontje, die haar in al die weken had leren kennen, uiteindelijk zijn schroom had overwonnen en naast haar op de bank was komen zitten, bij die rare mevrouw met die harde blik in haar ogen en haar hoekige gebaren, had ongemerkt een plaatsje in haar hart veroverd.
Ik stond al buiten, maar keek om. Lies lag op de gangvloer. Moe, verslagen en alles zat, in haar mooie trui en spijkerbroek en haar blik zei dat ze genoeg had van al dat gelieg.
Ik had de voordeur dicht kunnen trekken en die andere wereld in kunnen stappen op weg naar mijn huis, mijn columns, mijn bijzondere winkeltjes die op me wachtten om genadeloos beoordeeld te worden, naar Jordan die gewend was aan het alleen zijn als zijn moeder druk bezig was, maar iets verhinderde me.
Ze lag daar te grienen, een menselijk wezen waaraan niets waardigs meer was. Verslagen door zichzelf. Een tengere, hoekige vrouw die al haar verdriet leeggoot in deze kale gang waar beton door de slijtage kierde.
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik wist ook niet waarom ik daar nog stond. Een seconde later wist ik het wel. Ik wilde iemand helpen. Maar ik was bedrogen en daarom kwaad. Mijn zoon had haar weerstand gebroken. Mijn zoon waarom ik ook alles had gedaan.
Ik liep naar binnen. ‘Goed, vertel nou eens hoe het echt zit.’

Wordt vervolgd

Cor Snijders