Lizzie's Verhaal 58

Ik was rechtstreeks naar de flat gegaan. Opnieuw viel het me op hoe troosteloos het er uitzag. Overal lag rotzooi, van gedumpte fietsen en een bankstel tot zelfs gestort huisvuil. Nu ik wist dat de flat gesloopt zou worden, bekeek ik het bouwwerk met andere ogen. Het was verveloos, het beton had een onbestemde kleur, hier en daar hing was, ergens speelde luidkeels een radio en schreeuwden mensen tegen elkaar. Hetzelfde miezerig mannetje van lang geleden hing over de rand van een balkon, een peuk in zijn mondhoek. Hij bekeek me wantrouwig.
Ik klom de drie trappen naar de etage waar Lies woonde en liep wat later langs voordeuren. Het was er dodelijk stil. Op een van de deuren hing een groezelig briefje.
‘Benso trug, eve wagten aub’
Ik bleef staan bij de voordeur van Lies, haalde diep adem en belde. Ik hoorde niets. Er was vast geen bel. Was er wel elektriciteit? Ik klopte op de deur. Ik liep verder en keek door het keukenraam. Ik schrok. De keuken was een puinhoop. Midden op tafel stond een fles wodka. Ik kon niet zien hoeveel er nog inzat. De keuken leek het domein van een dakloze die hier zolang zijn intrek had genomen. Er waren absoluut geen sporen van een regelmatig leven te bekennen. Ik keek naar het huisnummer naast de deur. Dat was het juiste, dit was de flat van Lies, maar ze was er niet. Zou ze een andere baan hebben? Zou ik het verkeerd hebben? Was het allemaal toevallig? Ik stond daar verslagen en besluiteloos toen ik iemand de galerij op zag komen. Lies, dacht ik. Maar het was een donker type, ineengedoken in een te grote jas, met toegeknepen ogen die me bijna vijandig aankeken.
‘Dag,’ begon ik dapper. ‘Mag ik wat vragen?’

Wordt vervolgd

Cor Snijders