Lizzie's Verhaal 50

De hele weg naar huis zat me iets dwars. Ik had grafstenen gezien waar op kunstig ingebouwde schermen de overledene de achterblijvers bemoedigend toesprak: staande in een weiland vol klaprozen, aan het strand met een ruisende branding op de achtergrond, in een huiskamer omringd door foto’s, zelfs als rietdekker op een dak. De muziek erbij varieerde in alle mogelijke genres. Ik schatte dat het een tijdje mode zou zijn en dat mensen dan weer kozen voor de sobere grafsteen die de tijd zou trotseren op een begraafplaats tot hij vergeten en aangetast door het klimaat een keer zou omvallen, in stukken zou breken om uiteindelijk door de aarde te worden opgeslokt en afgebroken in een proces dat honderden jaren kon duren als de natuur de tijd kreeg.
Dat schreef ik allemaal ijverig in een column, me afvragend of het niet te veel van het goede was. Ik schrapte de helft, schudde het hoofd en toverde het geschrapte weer terug. Ik vond het niet mijn beste stuk, maar ik wilde een sneer kwijt over de laatste mode in grafstenen. Ik moest ook iets zeggen over nijver vakmanschap en over een directeur die blij was geen wethouder meer te zijn.
En toen wist ik weer wat me dwars zat.
‘Wist je dat er in deze stad talloos veel woningen onderverhuurd worden en dat daar dik geld aan wordt verdiend?’
Die zin had zich in mijn geest genesteld. Ik wist niet waarom. Er was iets mee. En toen ik het wel wist sloeg het nergens op. Waarom moest ik opeens aan Lies denken?

Wordt vervolgd

Cor Snijders