Lizzie's Verhaal 36

Op een avond betrapte ik Lies met een fles drank.
Ze schrok zich te pletter, maar deed geen moeite de fles te verbergen.
‘Zo,’ zei ik en klonk boos. ‘Dus dat doe je met je geld!’
‘Heb ik zelf verdiend,’ verdedigde ze zich.
‘Dat weet ik. Maar ik had een stille hoop…’
‘Hoor es,’ onderbrak Lies me agressief. ‘Ik werk, ik probeer overeind te blijven, m’n hele lijf doet zeer, ik slaap soms slecht, ik vond dat dit gewoon moest kunnen, maar ik wilde niet dat je het wist.’
Ze keek me boos aan. Haar gezicht niet meer zo vaal als in het begin. De lijnen waren niet zo diep meer. Het hoekige was wat uit haar gestalte verdwenen. Elke dag was ze om zeven uur bij dat depot om folders te halen. Dan fietste ze naar een ander gedeelte van de stad en begon dat stomme, eentonige, doodsaaie werk.
‘Drank en drugs,’ zei ik. Er klonk een waarschuwende toon in mijn stem.
‘Een mens mag toch wel wat!’ Lies keek me nog steeds agressief aan. Ze klonk boos. Ze deed inderdaad haar best en vond dat ze dit verdiend had.
‘Je weet hoe het gaat als mensen als jij een fles drank hebben!’ Ik keek haar streng aan. Het ging niet om die fles. Het ging erom dat die fles straks leeg kon zijn. Dan kon ze werken morgen wel vergeten.
‘Ik weet wat ik doe,’ zei Lies. Ze probeerde niet agressief te klinken.
‘Ook met die drugs?’
‘Dat gaat je geen donder aan,’ snauwde Lies.
Ze was nu drie weken hier en was zichtbaar opgeknapt. In al die tijd had ze kans gezien te blijven gebruiken wat het dan ook was. Ze deed ook haar werk en bracht elke avond geld mee. In haar woedde strijd. Ze wilde niet maar haar lijf dwong haar. Ik wist het zeker.
‘Het is beter als je ermee kapt.’
Ze keek me verbeten aan. Ik wist hoe moeilijk het was. Maar ik hield voet bij stuk.
‘We zullen zien,’ zei Lies onwillig.
Ik sloot de deur. Het kon allemaal niet tegelijk.