Lizzie's Verhaal 35

Beste lezers, Lies is aan het werk. Al twee weken lang. Ze bezorgt folders. Flappen bedrukt papier met schreeuwletters en pimpelpaarse kleuren. Pakken. Ze krijgt een wijk aangewezen, zeult erheen met mijn fiets en duwt overal zo’n vod in de bus.
Ze komt ’s avonds bekaf thuis. En dan belooft ze zichzelf kwaad en sikkeneurig dat ze ermee ophoudt. Dat het achtelijk werk is. Maar ze kijkt ook verliefd naar de centen die ze heeft verdiend. Ze hoeft me geen kostgeld te betalen of huur. Ook niks voor de was of waarvoor dan ook. Ik probeer haar overeind te helpen. Ze staat wel, maar nogal wankelig.
Af en toe is ze ook weg. Dan haalt ze iets voor haar verslaving. Dat houdt ze zorgvuldig voor me verborgen. Ik sta het toe, als ze elke morgen maar om zeven uur bij dat uitdeelpunt is en elke avond weer met geld bij me komt. Dat geld berg ik voor haar op. Ze krijgt een mager zakcentje.
Na twee weken klaagt ze niet meer over spierpijn. Ze wast de drukinkt van haar handen. Ze heeft de banden van de fiets hard opgepompt, dat scheelt trappen. En ze leert de stad nog beter kennen dan toen ze nog rondzwierf want ze krijgt iedere keer andere wijken aangewezen.
Eén dag probeerde ze me te belazeren. Ze was niet folders wezen bezorgen maar had de hele dag in een bushokje liggen slapen. Daarna had ze geld geleend en me dat gegeven. Maar ze stonk niet naar zweet, de inkt op haar handen zag er anders uit. Ik belde het uitdeelpunt. Dat vertelde me dat ze zich ziek had gemeld.
‘Morgen ben je er weer,’ zei ik tegen haar. ‘En anders kun je oprotten!’
Ze keek me aan, ging vroeg naar bed, was ’s morgens vroeg de deur uit en deed haar werk. We hebben het er niet meer over gehad.