Lizzie's Verhaal 34

Lies kwam thuis en zag eruit als een lijk.
Een lijk met rode konen, zweetplekken onder de oksels, de handen vies van drukinkt, een barst in de zool van haar schoen waar water doorheen sopte en moeilijk lopend van de spierpijn.
‘Oh…’ bracht ze uit en plofte op de bank.
‘Fiets in de schuur?’ vroeg ik streng.
Ze knikte alleen maar.
Schuur op slot?’
‘Ja.’
‘Alle folders weg?’
Ze knikte en sloot de ogen.
‘Wat goed van je!’ zei Jordan. Hij kwam naast haar zitten en keek haar vol bewondering aan.
‘Dan heb ik nu eten,’ zei ik.
‘Ik ben zo moe….’ Bracht Lies uit. ‘Ik kan wel een jaar slapen!’
‘Dan ga je zo naar bed,’ zei ik. ‘Morgen om zeven uur moet je weer bij dat uitdeelpunt zijn.
Lies deed de ogen open. ‘Ik hou dat niet vol!’
Ik luisterde naar die klagende stem. Ik zag hoe afgepeigerd ze was. Maar ik zag ook die blos op de wangen. Ze moest wennen. Dat was alles.
‘Eten!’ commandeerde ik. ‘Alles staat klaar. Eten en slapen, op tijd naar bed en morgen weer.’
‘Ik ben gek!’ piepte Lies. ‘Ik ben geschift! Het verdient bijna niks!’
‘Omdat je ook niks kan!’ beet ik haar toe. ‘Maar je hebt gewerkt vandaag. Je hebt net zo gewerkt als miljoenen anderen en die gaan morgen ook weer naar hun werk.’
‘Ik ben hartstikke geschift,’ klaagde Lies. Maar ze klonk anders. Ze begon te klinken als de Lies die erg lang geleden had bestaan.