Lizzie's Verhaal 28

Ik kende dat gevoel. Als je dagenlang nauwelijks te eten had, iets te pakken kreeg uit een vuilnisbak, op de markt iets van een kraam stal, of zelfs van elkaar jatte, dan werd je onverschillig, grof en vielen alle remmingen weg. En zo stond ze ook tegenover me, alsof ze m’n zusje was, ongegeneerd, bereid tot alles. Ik kon maar niet zo weggaan.
‘Ik weet het beter. Je komt bij míj eten.’
‘Echt!’ Ze keek me aan alsof ik een wonder had beloofd. En eigenlijk was dat ook zo. Iedereen zou haar met afgewend hoofd voorbijlopen. Niemand zou iets met haar te maken willen hebben behalve dan het Leger des Heils, of misschien ergens nog een andere hulpverlenende instantie.
‘Kom maar mee.’
En zo nam ik Lies mee naar mijn flat waar ze kennismaakte met Jordan die haar eerst met verschrikte ogen opnam, haar daarna nauwkeurig bestudeerde alsof ze een bijzonder vogeltje was en mij vervolgens vroeg hoe lang die mevrouw zou blijven toen Lies onder de douche stond.
Nadat ze een paar kleren van mij had aangetrokken, met begerige ogen had gadegeslagen wat ik allemaal op tafel toverde, legde ik haar rustig uit dat Jordan vreselijk aan haar moest wennen, dat ze me moest beloven hier niet te roken, en dat ze nog wel een keer bij me kon komen eten, als ze haar best deed van de drank af te blijven en probeerde een beetje toonbaar te blijven.
‘Je bent een schat, Lizzie,’ bracht ze tussen snelle happen eten uit. ‘Echt waar. Je bent net een zus voor me. Ik zal het nooit vergeten.’
‘En straks niet stiekum toch naar die coffeeshop voor drugs!’ waarschuwde ik streng.
‘Daar kun je van doodgaan!’ zei Jordan ernstig.