Lizzie's Verhaal 16

De radio heeft me weer gebeld. Ze smeekten me om een interview. Ik heb botweg geweigerd. Ze vertelden dat de wethouder wel een interview had gegegen. Hij noemde me een irritante wesp die steeds maar om zijn hoofd cirkelde, maar dat het niet hielp. Die woningen kwamen er, wat we ook deden.
Daar heb ik over nagedacht. Het publiek wil het park houden. De wethouder noemt mij een wesp en heeft gelijk. Een wesp mep je dood en dat is dat. Waar deed ik dit allemaal voor? Alleen voor die rotcenten? Ik dacht aan de Hema waar ik toch ’s avonds een voldaan gevoel had dat ik al die uren echt gewerkt had. Stukjes schrijven, overal achteraan jagen was ook wel echt werken, maar het hielp allemaal niet. Wat we allemaal wilden werd gewoon door die wethouder van tafel geveegd. Had ik nou toch dat interview moeten toestaan?
Ik sprak Piet en vertelde hem precies zoals ik me voelde. Leeg en nutteloos.
Hij moest erom lachen. Dat voelde hij ook als hij een hele dag bestellingen had rondgebracht. Dan dronk hij een biertje, keek naar de tv, en dan verdween het. Hij stelde me voor mee te gaan naar de kroeg. Konden we samen een biertje drinken. Ik dacht hoe vrolijk ik dan zou worden. Het leek me wel. We gingen samen op weg.