Leven en laten leven (de laatste...)

(deze wilde ik toch nog kwijt)


Deur nam nog een stevige trek van haar joint en keek Jan aan.
‘En nou ga jij me zeker vragen, hoe het allemaal zo gekomen is?’
‘Ik? Doe me een lol. Ik heb al genoeg sores aan mijn hoofd.’
‘Gelukkig, want als ik ergens de ziekte aan heb, is het aan do-gooders.’
Jan haalde de schouders op. ‘Prima, meid. En als ik ergens de ziekte aan heb is het aanstellerige hulp-vragers.’
‘En ik heb een hekel aan diepzielduikerij.’

Het gesprek was aan het verzanden. Jan begon zich af te vragen wat echt was en wat niet. Syndroom. Do-gooders. Diepziel. Soft-drugs. Maar een stickie was tegenwoordig meer een vrijblijvende verslaving voor de semi-manager. Om risicoloos mee te doen in de vaart der volkeren en je toch te onderscheiden van de burgerij.
‘Jan?’
‘Ja Deur?’
‘Ben jij getrouwd?’
‘Niet noemenswaard.’
‘Ze heeft je verlaten.’ Concluderend.
‘Ja, maar met mijn medewerking. Alleen…’
‘… wilde ze geld hebben?’
‘Ja. Dat wil zeggen, nee. Ze wilde Mitzie houden.’
‘Mitzie? Was ze lesbisch geworden?’
‘Niet bij mijn weten. Was wel interessant geweest, trouwens. Nee, Mitzie is de poes en die heeft ze mee genomen naar Chris.‘
‘Oh.’ Ze keek peinzend voor zich uit. ‘En jij wil Mitzie terug hebben?’
Jan haalde zijn schouders op. ‘Zou wel leuk zijn, maar ik heb geen zin in allemaal gedoe.’
‘Weet je waar die Chris woont?’
‘Ja, in Zuid.’
Ze nam de laatste trek en borg de peuk op.
‘Hoe ziet die poes eruit?’
Jan schudde het hoofd. ‘Als je dat maar uit je hoofd laat.’
Ze hief de armen op. ‘OK OK, maak je geen zorgen.’
Ze keek rond naar de huizen aan de gracht. ‘Kijk jij hier op uit?’
Jan schudde het hoofd. ‘Ik weet niet wie er hier een dubbele agenda heeft, maar no go, meid.’
Ze knikte. ‘Nou, dan gaan we maar weer naar de Zeedijk.’
‘Wat?’
Ze grinnikte. ‘Jij denkt dat ik daar de hoer speel? Nee hoor, dat doen ze om de hoek. We zitten daar in een opvanghuis, van een soort stichting voor daklozen. Concurrent van de Majoor zaliger.’
‘Maar jij bent niet echt dakloos.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, aan dat Amsterdamse accent van je mankeert wel wat.’
‘Ja, zo zuiver als jij kan ik het niet. Alleen je woordkeus is wat deftig soms.’
Hij kleurde. ‘Ja, een erfenis van een ander bestaan. Maar lamaar. Wat ik denk is dat jij gebroken hebt met je familie.’
Ze keek hem waarderend aan. ‘Scherp hoor. Nou, het wordt onze tijd. Anders krijgen we geen eten meer.’
Ze stond op en gilde: ‘Bartjuuuuh’.
Die kwam uit de Koffiewinkel. ‘Schreeuw niet zo, mens. Ik was net zo lekker aan het kletsen met Sander. Toffe gozer.’
‘Kom, we gaan eten. Zeg maar dag tegen de meneer.’
‘Dag meneer. En bedankt.’
Ze kleurde. ‘Ja. Bedankt, Jan.’
‘OK meid, knul. Zie jullie.’

Het was een beetje een Chaplinesk gezicht, die twee, hand in hand, door de Berenstraat op weg naar de Dam.

hendrik