LEEFTOCHT

Haar lokken dansten een glans van kastanje.
Haar sproeten sprongen in 't oog. Men zag een jonge ree.
Jaren later staat er een dichteres voor de deur.
Gejaagd troont ze Amos mee.

Zwarte wind
wervelend op de kim -
het licht is van huis

Zij vergt dat hij haar stroeve nek masseert. Haar vel is van
fluweel en heuvelend als Umbrië haar borst. Deernis kruipt
in vingertoppen, en lust.

Dat zware gonzen
in het donker boven ons -
ganzen op leeftocht