Landloper

De landloper klom over het prikkeldraad en liep door het weiland. Dat strekte zich bijna eindeloos uit. Hij kon amper ginds de weg zien. Die slingerde zich vernuftig tussen weilanden en bossen door. Het was prettig door het weiland te lopen en hij sneed er een enorm stuk mee af. Na vijf minuten lopen klonk er in de verte het geluid van een landrover in overdrive die door het ruige land op hem afkwam en toen voor hem stopte.
‘Dit is eigen terrein,’ zei een boze boer met rood hoofd. ‘Je mag hier niet komen!’
De landloper nam de boer op, draaide zich kalm om en liep terug. Eenmaal bij de weg klom hij over het prikkeldraad, ging tegen een paal zitten en trok een dik boek uit zijn tas.
De boer was hem gevolgd en stapte opnieuw uit.
‘Je wilt het zeker nog een keer proberen! Maar ik houd je in de gaten!’
De landloper sloeg er geen acht op en ging verder in La Pensees van Pascal, een boeiend boek waarvoor je de tijd moest nemen. De tijd verstreek. Toen het donker werd trok hij zijn jas dichter om zich, at wat muësli en dronk een paar slokken water. Dat was genoeg. Hij was niet veeleisend. De nacht viel en hij sliep in. Midden in de nacht werd hij wakker en klom weer over het prikkeldraad. Hij was bijna op hetzelfde punt toen weer die boer verscheen: boos, in pyjama, achter het stuur van de landrover in overdrive.
‘Sodemieter op. Je mag hier niet komen. Dat heb ik je toch gezegd!’
De landloper liep terug, klom over het prikkeldraad en viel spoedig weer in slaap.
Dit schouwspel herhaalde zich in de dagen die kwamen. Al die tijd gunde de boer zich geen slaap. De landloper at zijn muësli, dronk water, las en sliep. Niets aan de hand.
De boer had een verrekijker gevonden, bespiedde de landloper en zag dat deze er hoogst fatsoenlijk uitzag, zelfs geschoren en dat hij een moeilijk boek las. Maar op zijn grond mocht zo’n vent niet komen.
De dagen volgen elkaar op. De landloper klom iedere keer over het prikkeldraad, kwam amper halverwege en dan verscheen de boze boer: roodomrande ogen door slaapgebrek, steeds bozer maar ook machtelozer. Hij moest waken, die verrekte vent nam het ervan en sliep door tot tien uur in de morgen. Eten deed hij nauwelijks, drinken ook niet. Af en toe pieste hij tegen een paal en dan las hij weer verder. Wie was dit? Waarom bleef hij zo eigenwijs?
Na een week besloot de boer dat het belachelijk was. Na anderhalve week kwam hij tot inzicht. Hij zag er zelf niet uit. Slaaptekort, onregelmatig eten, zijn boosheid en de wrok om die landloper die kalm en bedaard daar bij die paal zat te lezen deden zich gelden. Op de twaalfde dag reed hij de landrover naar de plek waar de landloper zaat.
‘Waarom doe je dit?’
De landloper nam hem aandachtig op. ‘Waarom doe jij dit?’
Ze keken namen elkaar schattend op. De boer voelde zijn vermoeidheid. Het kon niet eeuwig zo doorgaan en innerlijk had hij nu grote bewondering voor deze landloper. ‘Ik doe dit omdat deze grond van mij is.’
‘Daar twijfel ik niet aan,’ antwoordde de landloper. ‘Ik ben alleen maar op doorreis. Maar ik laat me niet de wet voorschrijven.’
De boer kon er niets aan doen, maar zijn bewondering voor deze buitenissige figuur groeide. ‘Je bent een rare, maar ik heb besloten dat je hier mag oversteken.’
De landloper stond op, keek of hij nog iets moest opruimen of misschien was vergeten, klom over het prikkeldraad en vervolgde zijn weg.

Cor Snijders