Kroes IV/slot

We reden ons reisdoel binnen. Een oud stadje aan een langzaam stromende rivier, met een citadel op een hoge heuvel, die het plaatsje overzag. Er voerde een kabelbaantje heen.
‘Kom, we gaan eerst omhoog. Het licht is nu nog mooi. Straks zoeken we wel een hotel.’
Boven konden we ver het land in kijken. De laagstaande zon legde slagschaduwen over de rivier en de stad in het dal en verlichtte de omringende heuvels.
Door de stilte heen hoorden we het stadsgeruis dat van beneden kwam. We zagen kleine mensjes aan de kade en koeien in de velden. Om ons heen kringelden zwarte vogels. We stonden zwijgend met de armen om elkaar heen en ik voelde haar lichaamswarmte. Zonder praten gingen we naar beneden, nu lopend over een pad, terug naar de rivier.

“Aux vieux bon temps”. Zo heette het hotel, waar Anita direct op afliep.
‘Gôh. Het bestaat nog. Kijken of ze plaats hebben. Ze spreken er ook Nederlands.’ Te mijnen faveure, bedoelde ze fijngevoelig.
Een oudere dame stond in de receptie.
‘Bonjour, madame de Bournage.’
Die keek haar onderzoekend aan, dacht even na en zei toen: ‘Ah. Anita. Wat leuk dat je hier weer eens komt. En nog wel met ….’. Ze liet discreet invulling achterwege. Ik gaf haar netjes een handje en liet haar kwalificatie buiten bespreking. Deze vrouw leek me een scherpzinnig type.
Anita reageerde evenmin en bestelde een kamer. ‘Liefst die aan de rivierkant.’
Madame de Bournage glimlachte geheimzinnig. ‘Bien sûr, mon enfant. Je comprends. La vue. ’
Anita lachte op haar beurt samenzweerderig. ‘Precies mevrouw. Vanwege het zicht.’
De kamer was een kleine zaal, met verschillende niveaus. Eén voor het hemelbed. Eén voor een zitje, met de bar onder handbereik. En spiegels. Vooral spiegels. Overal, tot en met het plafond toe.
Anita zag mij kijken maar zei verder niets. Ze kleedde zich onbekommerd uit, duizendvoudig weerkaatst door het spiegelwerk, en haalde andere kleding uit haar koffertje. Een keurige zwarte rok, een BH en witkatoenen blouse. En pumps. Pumps notabene. Ik dacht dat die al waren bijgezet in de costuumafdeling van het Haags Gemeentemuseum. Ikzelf had niet veel meer dan een hemd en trui meegenomen, maar wel van goede kwaliteit, dus ik stak niet al te zeer af. De sportieve jongeling van goeden huize, die het zich kon veroorloven informeel gekleed te zijn. Wat kan het leven banaal zijn.

De maaltijd werd ruimhartig besproeid door drank van verschillende herkomst, maar van goed tot zeer goed. Opa had zijn kleindochter opgeleid om mee te doen met de besten onder ons. Waarom ik was goedgekeurd is dan de vraag.
We eindigden met een soezerigmakend, mij onbekend maar onmiskenbaar erotisch nagerecht. We gingen naar boven.
Anita zette zich in het zitje op de verhoging. Keurig de benen naast elkaar, de rok over de knieën. Dat ze zeer welgevormd waren kon zij niet tegengaan. Evenmin dat ze in veelvoud weerspiegeld werden. Onder één hoek bezien was de aanzet van het dijbeen prominent.
‘Wat moet dat nou met ons?’
Ja, wat moest dat nou met ons. De vraag verdiende omzichtige behandeling, teneinde niet gedwongen te worden met de trein naar huis te moeten. Ik gaf nog geen antwoord, omdat ik dat niet direct paraat had.
Ze hervatte: ‘Wil jij met me trouwen?’
Ik had net genipt van de wijn, die de zorgzame waardin gekoeld op de kamer had gezet. Met enige moeite kon ik voorkomen dat ik het meubilair ondersproeide.
Anita schoot in de lach. ‘Elegante reactie.’

Evaluatie geblazen. Ik had geen zin in het afwegen van sociale en intellectuele implicaties. Niet omdat die geen rol zouden spelen, maar gewoon omdat ik maar één impulsief, alles overheersend antwoord had. De vraag was of ik dat zo onvoorbereid en zonder omwegen kon zeggen.
Anita schatte de situatie goed in. ‘We zien morgen wel.’

Daarna kwam een roes van gebeurlijkheden, waarvan de letterlijke beschrijving alleen maar ontluisterend zou werken. Volstaan we met de vaststelling dat ik slechts amechtig achter de feiten aan kon liggen.
Uiteindelijk was echter ook aan haar vermogens een eind gekomen. Ik kreeg nog een laatste serie zoenen, maar bij de laatste viel ze in slaap.

In de verschillende dimensies van de spiegels om ons heen zag ik hoe ze aan mijn borst lag te slapen. Eén gespierd been, als teken van bezit, over me heen geslagen. Haar lange blonde haar als een zijden sluier gespreid over haar schouders. Ze maakte zachte kind-geluidjes en smakte met de lippen. Tegen twee uur viel ik zelf pas in slaap.
Maar Anita werd om zeven uur monter wakker en wilde ontbijt op bed. Ze propte een broodje in de mond, vergezeld van koffie.
‘Beefefal?’
Pardon?
Ze slikte moeizaam het voedsel weg.
‘Weet je ’t al?’ Ze voegde duidelijkheidshalve toe: ‘Of je met me wil trouwen.’
Jawel, dat wist ik al uren. Maar ik durfde haar er niet voor wakker te maken. Er is een grens aan wat een man kan. Maar ik kon nu verbaal kleur bekennen.
‘Ja.’
‘Mooi. Jij nog koffie?’

hendrik