Kroes

‘Een reet als een kathedraal en tieten van hier tot Timboektoe.’ Aldus de aanbeveling van mijn vriend Sebastiaan, die zijn goede opvoeding en academische vorming probeert te maskeren door vermeend populair taalgebruik. Hij vergat nog haar lange helblonde haren, die tot aan voornoemde kathedraal reikten.
Al met al niet het type, waarbij ik mijn klassieke heldenrol kwijt zou kunnen.
Sebastiaan doelde hier op het meisje Anita, op gindse barkruk, dat mij eerder op de avond al keurend had bezien. Het nieuwe werven, onbelemmerd toegepast door beide geslachten, maar dat ik nog steeds niet helemaal kan wisselen.
Ik was enige tijd zwakjes doende geweest me tegen haar visuele avances te verweren, toen Sebastiaan nog met aanvullende informatie kwam.
Naar zijn zeggen beschikte ze over een bejaarde, massieve Harley Davidson. Die machine en haar robuuste erotiek rekten mijn verdedigingsgordels tot het uiterste op. Toen ze dan ook het heft in handen nam en op mij toestapte, knapte mijn defensie en geraakte ik als was in haar handen.
‘Ga je mee naar het strand?’
Ik probeerde nog de ontwikkelingen tegen te gaan door op het late uur te wijzen, maar tevergeefs.
‘We zijn er binnen een half uur.’
Het werden twintig minuten, met laatdunkend voorbijgaan van verkeerslichten en medeweggebruikers. Ik had haar stevig omklemd, om me als duopassagier te handhaven. Bijgevolg had ik indringend kennis genomen van haar vormen, want een motorjack was beneden haar waardigheid.

Ze zette de motor stil.
‘Luister.’
Intense stilte, nog aangezet door zacht brandinggeruis. Niemand op het strand. Een volle maan, weerkaatst in het water tot aan de nauw zichtbare einder.
‘Kijk.’
Ik keek, maar begreep niet onmiddellijk wat ze bedoelde.
‘Hork. Kijk dan! De zee licht.’
De branding rolde als parels het strand op.
‘Kom. Je schoenen uit.’
We renden het strand op naar het water. Als je in het natte zand liep, was er een halo van beweeglijk licht rond je voeten.

‘Kijk.’
Ze kleedde zich uit en stond naakt voor me. Dan ging ze helemaal het water in, kwam terug voor me staan, met de rug naar zee. De maan lichtte haar contouren op en de lichtdruppels gleden over haar huid. Over haar borsten, waar de tepels rood opglansden. Ze draaide zich om en om. Speelde met het licht en het glinsterende water.
Ze kwam naar me toe. Deed mijn kleding af en legde die zorgzaam op het droge zand. Daarbij boog ze zich onbekommerd voorover, kwetsbaar met haar rug naar me toe. Dan kwam ze terug in de zee en omhelsde me.
Daar, omgolfd door alle licht, heb ik haar bezeten. Of zij mij. Of wij ons.

hendrik