Kindergedicht

"Sapperdepiep", zuchtte de muis
"hier is toch iets niet pluis".
Aan haar staartje hing een valletjes
een echte grote, geen niemandalletje,
maar zo een lelijke ijzeren zaak
met in het midden een roestige haak.

Het muisje begon te trekken, wrikken en wroeten,
met zowel de handen als de voeten.
Met iedere trek werd haar staartje langer
en in haar hartje werd het muisje banger.
Stilletjes kwamen traantjes in haar ogen,
zoiet zou toch echt niet mogen.

Plets, plets, plets… vielen de traantjes neer
en maakte haar staartje nat, elke keer.
"Nog één keertje proberen", dacht het muisje dapper.
Eén ruk, haar staartje schoof, de val werd slapper.
Het muisje rollebolde de hele kamer door
en raakte nog net de muur met haar linker oor.

"Hé, hé, dat gebeurt mij nimmer meer,
voor mij is dit de laatste keer.
Hier is het echt niet pluis,
het is te onveilig hier in huis."
Ze rolde snel haar staartje op
en duwde die onder de hoed op haar kop.
En nu maar hopen,
dat ze nooit meer in een valletje zal lopen.