Katie en de kast

Met die merkwaardige vorm van preutsheid die mensen hebben na de geslachtsdaad, hadden ze beiden iets aangetrokken dat de kritieke zones bedekte.
Katie wees. ‘Kijk, daar zwemmen twee zeehonden.’
‘Maar goed dat die niet weten wat we deden.’
‘Moet je niet zeggen. Wat weten wij eigenlijk van het sexuele leven van waterdieren.’
Bern haalde de schouders op. ‘Ik in ieder geval niks. Ik weet het nauwelijks van mensen.’
‘Well, you could have fooled me.’
‘Dank u, dank u.’
‘Nee, echt. Het was een openbaring.’
Bern keek enigszins gegeneerd. ‘Nou nou. Een beetje minder kan ook wel.’
‘Weet je, soms denk ik dat ik eigenlijk lesbisch ben.'
‘Maar je gaat toch wel meer met mannen…'
‘Ja, natuurlijk wel. Ik heb…. had een kind.’
Bern zag voor zich het beeld op de begraafplaats, waar hij haar de madeliefjes in het busje had zien doen.
Hij veranderde van onderwerp, om de spanning te verlagen.
‘Heb jij die kluissleutel op het graf van mijn vader gelegd.’
Ze knikte. ‘Heb jij dat nummer?’
‘Ja. honderdzevenentachtig.’
Ze knikte weer.
Bern vroeg door. ‘En jij weet waar de kluis is.’
‘Ja. Bij mij thuis. In een kast.’
‘En hoe kom jij dan aan die sleutel.’
Ze keek langs hem heen. ‘Gekregen.’
Hij vroeg niet verder. Hij had geen behoefte aan meer inzicht in het leven van zijn vader.
Ze rilde.
‘Koud?’
‘Ja. Ook.’
Hij sloeg zijn arm om haar schouders en trok haar tegen zich aan. Samen vielen ze in slaap.

Zegt de ene zeehond tegen de ander. ‘Ga je mee?’
‘Ja, dit wordt toch niks meer.’

hendrik