IX. Farao gaat dood

(vorige keer: Tolecnal is op zoek naar de mordenaar van zijn vader, de koning. Hij is met een gezelschap aangekomen in de woestijn, en krijgt een verhaal te horen.)

Op een dag verteld Ayisha hem het volgende verhaal.

De koning, Farao, moest zich verdedigen tegen de volken uit het zuiden en uit het oosten. Hij was nog zeer jong en moest het strijden nog leren. Hij was de vorst van een gigantisch rijk: van de Heilige Sneeuwbergen, dwars door de Gele Woestijn tot aan de Middenzee.
Op een mooie dag reed hij op een triomfantelijke tweespan met twee prachtige zwarte paarden er voor. De paarden werden aangespoord door de strijdlustige vorst. Hij was nog jong dus hij wist nog niet precies wat strijdlust betekende. De koning was aan het oefenen voor het echte strijdtoneel. Hij reed hard op zijn wagen over een heuvel en de paarden werden aangezweept. Vlak achter een scherpe woestijnheuvel was een diepe kuil die hij niet gezien had. Een van de wielen van de tweespan reed hard door het gat. Hij werd van de kar geslingerd en kwam al rollend hard op de grond neer. De paarden denderden door en waren binnen de kortste keren buiten zicht. De jonge koning bleef achter in hevige pijn. Hij lag gebroken in het hete zachte woestijnzand. Bloed liep uit zijn knie. Zijn borstkast was beschadigd, waarschijnlijk was een aantal ribben gebroken.
De verwonding aan de knie was zeer ernstig. Hij kon mogelijk niet meer lopen, zelfs niet meer op dat been leunen. De koning had inmiddels al veel bloed verloren. Waarschijnlijk waren de ribben door een van de longen gepriemd. Het leek wel of de longen waren ingeklapt, ademhalen was ook moeilijk geworden.
De koning werd door zijn bedienden voorzichtig op een draagkar gelegd en teruggevoerd naar zijn paleis. Zijn vrouwen besteden veel aandacht aan hem. De kapotte knie bleef maar bloeden en hij kon nog steeds niet goed ademen. Deze verwondingen veroorzaakten daardoor een reeks van lichamelijke problemen. De vorst ging lichamelijk steeds meer achteruit.
De positie in de historie van de jonge vorst bleek vergankelijk. Het was het einde van het gigantische koninkrijk. De gestorven koning had een goed leven geleden. Het ergste wat de koning kon overkomen was hem overkomen: een vloek. De vloek van vergetelheid.

(wordt vervolgd)

(variant op het waarschijnlijke verhaal van de dood van Farao Toetanchamon)