Iriserend III

Deel 3: Karmijnrood: De liefde
(geur: buskruit, smaak: wilde aardbeiën, klank: van opgewekt piano naar orchestrale bombast)

De kant van Raun:
Raun draaide de legerpet op zijn hoofd en rook aan het pas afgevuurde patroon. Als vanzelf riep dit het beeld van Iris bij hem op. Hij dacht aan het moment dat hij een wilde aardbei in haar mond stopte.Toen keek ze hem schuins aan, vanachter haar volle wimpers. De schalkse blik in haar ogen, verraadde haar goede humeur. Och ja, die grote schuinsoplopende ogen; hij had er iets te vaak ingekeken. Altijd vormde Iris de woorden achteraan in de mond, waardoor je dat zwoele stemgeluid kreeg. Soms, heel soms, kreeg het iets raspend. “Iris, oh, Iris!”, zuchtte hij; waarbij hem haar leninge katachtige lijf voor de geest schoot. Toen dwaalden zijn gedachten af naar hoe ze hem trefzeker verleidde. Zijn makker hoorde hem zachtjes haar naam fluisteren. “Iris?”, vroeg hij.

Raun: “Ach ja, Iris veroveren dat was voortdurend duelleren met woorden. Zoniet, schakelde ze over op een loopgravenoorlog. Niet openlijk maar omfloerst. Viel je in de smaak, dan kwam ze naar je toe. Pas op: Niet met honingzoete woorden of banaliteiten! Ach ja, altijd dat getest van Iris! Ze kon je werkelijk het bloed vanonder de nagels halen. Breed lachend, stapte ze op je af met een vraag -genre: “Wat vind je van het spreekwoord: In liefde en oorlog is alles toegestaan?”.” Of nog erger! Op een keer vroeg ze me doelbewust wat ik dacht van de exclusiviteit van het jodendom. Zij, als half-Arabische, kwam met die vraag bij mij, een volbloed-Belg. Ik antwoordde dat ik het maar niks vond. Ze suggereerde dat er toch een mogelijkheid tot bekering was: Trouwen met een joodse vrouw. “Toch vind ik het maar niks, en dat huwelijk erbij slepen, past helemaal niet!.”, antwoordde ik. Lachend, keek ze me aan. “Ik vind het wel wat!”, wierp ze me toe. “Wie de joodse vrouwen vertrappelt, vertrappelt de joden.” Waar haalde ze het vandaan? Mijn antwoord voldeed niet dus, legde ze later op de avond diezelfde vraag, doodleuk, voor aan mijn concurrent Stijn. En dat, terwijl ik naast haar zat. Natuurlijk, vertelde ik hem niet dat ze hiermee eerst bij mij aanklopte. Een mens zou van minder pisnijdig worden.”

De kant van de verteller:
Het duurde vijf jaar voor hij haar te pakken kreeg, al was het liefde op het eerste gezicht. Tja, het leeftijdsverschil stond haar tegen. Wat de tijd toch kan goedmaken. Daarna beschouwde Iris de kloof als gedicht en hapte toe.

De eerste weken van hun relatie waren zalig. Na tedere en passionele nachten, verzorgde ze hem als een prins. Ze bereidde lekkere, meestal Italiaanse, maaltijden. Elke dag iets speciaals op tafel want koken, dat kon ze als de beste. Ze genoot! Nooit zag iemand haar stralen als in die tijd. Het duurde echter niet lang voor het morren begon. Twee maand om precies te zijn. Het begon met kleine dingen zoals de afwas. Raun had namelijk de gewoonte om zijn voeten onder tafel te schuiven en, het eten nog in de mond, te melden dat hij vertrok. Elke avond wachtte er wel een andere vriend op hem. Daarna kwamen de financiën aan de beurt. Zij nam immers het leeuwendeel voor haar rekening. De huur, de elektriciteit en bovendien vroeg hij voortdurend haar GSM. Het werd haar teveel. Twee weken later vielen de hoogoplopende ruzies niet meer te stuiten. Geroep en getier klonk door het -qua geluid- slecht geïsoleerde studiocomplex. Daarna schakelden ze over op een knipperlichtrelatie, waarbij ze elkaar soms een maand niet zagen. Dit mondde uit in de onvermijdelijke breuk.

De kant van Iris:
“Wie zeg je, Raun?”

Iris: “Raun, ja, dat was vuurwerk. Ik weet nog hoe ik hem ontmoette tijdens mijn tweede opname in de psychatrie. Toen ik hem in de ogen keek leek de tijd een seconde stil te staan. Die helblauwe kattenogen van Raun, goddelijk gewoon. En dan heb ik het nog niet over de rest van zijn uiterlijk. Ja, hij lijkt een beetje op Matt Dillon, maar dan mooier.

Qua uiterlijk en gevoelsmatig pasten we perfect bij elkaar, dat zei iedereen. Intellectueel liep het echter mis. Ik, een vrouw van boeken en Raun een man van de techniek. Ik kreeg niet voldoende ademruimte. Gewoonlijk leef ik alleen. Dan vul ik mijn dagen met lezen, schrijven en filmkijken. Die film dat lukte nog wel met Raun maar de rest. Lees maar eens terwijl iemand voortdurend zit te tokkelen op zijn computer. “Om iets op te zoeken?” Ben je gek, gewoon één of ander dom spel al moet ik toegeven dat “Archlord” ook mij bevalt. Om te lezen moet ik alleen zijn. Natuurlijk leg ik niet alles bij hem. Zo lukte me het bijvoorbeeld ook niet om gebruik te maken van zijn afwezigheid. Te verliefd, weet je wel.

Wat me aan hem het meest irriteerde, was dat hij het vanzelfsprekend vond dat ik alles voor hem deed. Al het werk kwam op mijn schouders terecht. Ik holde van de ene kant van de kamer naar de andere. In geen tijd slaagde hij er immers in de boel te herscheppen tot een puinhoop. Terwijl ik in de weer was, viel hij me ook lastig met de vraag: “Kan je me een kop koffie zetten?”. Zag hij dan niet dat ik bezig was? Zelf een kop koffie zetten, echt geen Titanenwerk. Ook financieel berustte onze relatie niet op evenwicht. Niet dat ik een geldwolf ben, maar als ik niet voor Raun hoef te zorgen, slaag ik er goed in om rond te komen met mijn minimuminkomen. Ik wijt dit ten dele aan mijn tweede huis dat in maagd staat. Zonder Raun bespaar ik geregeld op eten, al ben ik eigenlijk een bon vivant. Als liefhebber van het estheticisme hecht ik veel belang aan mijn voorkomen. En af en toe een mooi kleedje kopen, tweedehands weliswaar, dat was er niet meer bij.”